top of page

1. De droom van Nebukadnezar

Nadat Jezus de komst van de Heilige Geest had voorspeld zei Hij tot Zijn discipelen: “En nu heb Ik het u gezegd voordat het zal gebeuren, opdat, wanneer het gebeurt, u zult geloven.” Johannes 14:29.

God zegt: “Ik ben God, en er is er geen als Ik, Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher de dingen die nog niet plaatsgevonden hebben; Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen.”

In Zijn liefde maakt God ons bekend wat gebeuren zal niet enkel om ons geloof te sterken maar ook opdat wij ons daarop zouden kunnen voorbereiden en zo gespaard blijven van een hoop ellende.

Wie geen acht slaat op wat God door de profeten bekend maakt over de toekomst, daarover zegt de Bijbel in 1 Thessalonicenzen 5:3 “Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten.”

God belooft ons, niets ingrijpends te doen of te laten gebeuren zonder ons daarvan op de hoogte te stellen. Zo lezen we in Amos 3:7 “Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.”

Een eerste voorbeeld daarvan vinden we in Handelingen 11:27-30. 

“En in die dagen (dat Paulus het evangelie bracht in Antiochië, ca.50 na C.) kwamen enkele profeten vanuit Jeruzalem naar Antiochië. En een van hen, van wie de naam Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius. En de discipelen besloten, ieder naar vermogen, iets te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden, en dat deden zij ook. En zij stuurden het naar de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.”

Dit voorval leert ons dat er in de Christelijke gemeente verschillende profeten waren. De Geest van God inspireerde hen om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen. Elders wordt van deze profeten gezegd dat zij de gave van profetie hadden (1 Kor 12:10). Agabus was zo iemand. Hij voorspelde een komende hongersnood. Dat zorgde ervoor dat men voorbereidingen kon treffen en voorzien in het nodige om deze moeilijke periode door te komen.

Deze profetie was voor de gemeente toen een duidelijk teken van Gods liefde en Zijn voortdurende zorg voor hen.

 

Een tweede voorbeeld van hoe God door middel van profetie voor Zijn volk zorgt en hen waarschuwt vinden we in Lukas 21:20-21 “(Jezus zei tot Zijn volgelingen) Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.”

 

Dit is een van de voorspellingen die Jezus maakt over de nakende verwoesting van Jeruzalem. Deze vond plaats in het jaar 70 n.C.

Jezus geeft aan dat de stad door legers zal omsingeld worden en dat dit het teken is om de stad te ontvluchten. Je vraagt je misschien af hoe dat mogelijk is om een stad te ontvluchten wanneer deze omsingeld is door legers. Het is zo dat Romeinse legers een eerste maal de stad omsingelden maar zich dan terug trokken en later terugkwamen om vervolgens de stad te verwoesten. Het is in deze periode van terugtrekking dat alle Christenen uit Jeruzalem vluchtten. De geschiedschrijving vermeldt dat niet één van hen omkwam.

 

Door deze profetie te geven zorgde God ervoor dat Zijn volk kon ontkomen en dat deden ze ook omdat ze aandacht hadden voor de profetie en deze geloofden. 

 

Bij de studie van de profetieën in het boek Daniël en Openbaring zullen we zien dat veel van de profetieën daar gegeven hun vervulling hebben gekend.

Deze profetieën zeggen ons dat wij leven in de tijd van het einde en ze hebben ook voor ons een boodschap die van levensbelang is. Wanneer wij er acht op slaan en ernaar handelen zullen wij met Christus overwinnen.

 

De profetie van Daniël is er in zekere zin gekomen omdat een andere profetie in vervulling is gegaan. In deze andere profetie spreekt God door de profeet Jeremia tot het opstandige en ongehoorzame volk van Israël.

“Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Omdat u niet naar Mijn woorden hebt geluisterd, zie, Ik ga een boodschap zenden en Ik zal alle geslachten uit het noorden halen, spreekt de HEERE, en ook een boodschap zenden naar Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn dienaar. Ik zal hen over dit land brengen, over zijn inwoners en over al deze volken rondom. Ik zal hen slaan met de ban en hen stellen tot een verschrikking, tot een aanfluiting, en tot eeuwige puinhopen. Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.”Jeremia 25:8-11.

 

Deze profetie voorspelt een zeventigjarige ballingschap maar ze is voorwaardelijk. De vervulling hangt af van hoe het volk reageert op de profetie. Dit blijkt uit wat God verder tegen Jeremia zegt in Jeremia 26:2, 3 

“Zo zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan en spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen in het huis van de HEERE, alle woorden die Ik u geboden heb tot hen te spreken. Doe er geen woord van af. Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, zij allen van hun slechte weg. Dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden.”

De boodschap is duidelijk. Indien het volk luistert naar God en zich afkeert van hun slechte weg zal God de voorspelling over de 70 jarige ballingschap niet in vervulling laten gaan.

 

Niet alle profetieën zijn voorwaardelijk. Er zijn ook profetieën zoals deze in het boek Daniël en Openbaring die ongeacht wat de mens doet in vervulling zullen gaan. Deze profetieën duiden we aan als apocalyptische profetieën.

Deze profetieën hebben enkele opvallende kernmerken:

  • Ze zijn universeel van aard en dus niet enkel gericht tot het volk van Israël

  • Ze bevatten veel symboliek waarvan de betekenis door de Bijbel zelf wordt verklaard. 

  • Deze profetieën bieden geen keuzemogelijkheden. Ze gaan hoe dan ook in vervulling. 

  • De aangegeven tijdsperioden zijn kort maar verwijzen in werkelijkheid naar lange perioden omdat een dag in de profetie staat voor een jaar in de werkelijkheid. 

  • Apocalyptische profetieën presenteren de loop van de geschiedenis; ze strekken zich uit vanaf de tijd waarin de profeet leeft tot aan de herschepping van de nieuwe hemel en aarde (Openbaring 21).

 

Het volk nu luisterde niet naar de oproep van de profeet Jeremia en daarom ging de profetie over de 70 jarige ballingschap in vervulling. Zo komen we tot de eerste verzen van het boek Daniël:

“In het derde jaar van de regering van Jojakim (605 v. C.), de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het. En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, naar het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.” Daniël 1:1, 2.

 

Verder zegt de Schrift dat een groot deel van de bevolking waaronder ook Daniël de auteur van het boek Daniël werden meegevoerd naar Babel (2 Koningen 24:14).

 

De profetie van Daniel begint in Babylon. De profetie in Openbaring eindigt met de val van Babylon en de herschepping van de aarde. Tussen deze twee Babylons ligt ongeveer 2600 jaar wanneer we ervan uitgaan dat de wederkomst voor de deur staat. Babylon speelt gedurende deze periode een blijvende rol in de ontwikkeling van Gods plan. Het is dan ook belangrijk te begrijpen waarvoor Babylon staat. 

 

De profetie in Daniël spreekt over Babylon als een macht die komt uit het Noorden ten opzichte van Israël. Wat vanuit Egypte komt wordt in de profetie aangeduid als het Zuiden. 

Terwijl het Babylonische rijk - het Noorden en het Egyptische rijk - het Zuiden, werkelijk hebben bestaan en een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van het volk Israël, krijgen ze tijdens het bestaan van de Christelijke gemeente een geestelijke betekenis. 

Babylon of het Noorden staat voor een religieus systeem dat Gods woord en weg tot verlossing verwerpt. Egypte staat voor alles wat religie verwerpt en de menselijke rede tot het opperste gezag aanstelt. De Verlichting maar ook het communisme zijn manifestaties van het Egyptische denken dat we in de bespreking van de laatste profetie nader zullen analyseren.

Beide denkrichtingen vinden hun oorsprong bij Lucifer of Satan. In die zin noemt de Schrift Lucifer de koning van Babel. “En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten, dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen:… Hoe bent u uit de hemel gevallen, morgenster (Lucifer), zoon van de dageraad! U ligt geveld op de aarde, overwinnaar over de heidenvolken!” Jesaja 14:3-14

Verder duidt Jesaja aan wat de oorzaak van zijn val is:  “En ú zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.”

 

Het zich verheffen boven God en Zijn woord is de essentie van het Babylonisch denken dat zijn oorsprong vindt in de opstandigheid van Lucifer en wat uiteindelijk leidt tot de val van Babylon.

De hier beschreven poging van Satan om zich boven God te stellen heeft geleid tot een strijd in de hemel en de val van Satan.  We lezen erover in Openbaring 12:7-9. “Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. Maar zij waren niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.”

 

De strijd begonnen in de hemel werd verdergezet op aarde door de misleiding van de mensen. Deze begon bij de boom waarvan God had gezegd niet te eten want anders zou de mens sterven. Satan als koning van Babel introduceerde het Babylonisch denken bij deze verboden boom in Eden. Hij nodigt daar de mens uit het woord van God te verwerpen en zich boven God te verheffen. 

 

We horen zijn redenering in Genesis 3:4-5. “Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven. Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.”

 

Kain was de eerste die zich helemaal overgaf aan het Babylonisch denken. Het leidde tot de vervolging van zijn broer Abel en het ontstaan van twee gemeenschappen: zij die God liefhebben en zij die zich boven God verheffen en Zijn woord verwerpen.

 

We zien een andere manifestatie van het Babylonisch denken bij de bouw van de toren van Babel waar de mensen zich verenigden en zeiden: “Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt (laten we ons gelijkstellen aan God), en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!” Genesis 11:4. Dit laatste, het verspreiden over de aarde, was wat God had geboden maar zij verwierpen Zijn gebod en waren opstandig.

 

Het Babylon waar Daniël en zijn volk in terechtkomt is het letterlijke Babylon, het wereldrijk Babylon. Het Babylonisch denken daar komt vooral naar voor in hoofdstukken 3, 4 en 5. Dat zijn makkelijk te lezen hoofdstukken. Ook in de profetieën en de uitleg ervan komt het Babylonisch denken naar voor. 

 

De opdracht die God geeft aan Zijn volk is om mensen uit Babylon te roepen tot een geloof in het woord van God en een erkenning van Zijn liefde, kracht tot verlossing en heerschappij. We zullen zien dat de profeet Daniël deze opdracht op een voortreffelijke manier vervult door koning Nebukadnezar tot erkenning te brengen van God en Zijn wil op aarde.

In Openbaring 18 vinden we de laatste boodschap die God door Zijn volk aan de mensen brengt. Daarin stellen we vast dat het denken van Babylon in wat de Bijbel de eindtijd noemt nog springlevend is maar dat haar daden de limiet van Gods verdraagzaamheid hebben bereikt.

We vinden de boodschap in Openbaring 18:2-5: “En hij riep uit met krachtige stem: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en een woonplaats van demonen geworden, een schuilplaats voor allerlei onreine geesten en een schuilplaats voor allerlei onreine en weerzinwekkende vogels… En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen. Want haar zonden hebben zich opgestapeld tot aan de hemel, en God herinnerde Zich haar ongerechtigheden.”

 

Koning Nebukadnezar wil meteen de banneling doordringen met de leer van Babylon zodat ze hun God zouden vergeten en zich zouden onderwerpen aan de koning van Babel. Met dit voor ogen geeft Koning Nebukadnezar meteen andere namen aan de bannelingen van het koninklijk geslacht.

Daniel van wie de naam “rechter van God” betekent krijgt de naam  Belsazar wat betekent ‘Bel is koning’. Bel is een andere naam voor de oppergod Marduk. De aanbidding van Marduk die steeds afgebeeld wordt met een draak is in wezen niets anders dan de aanbidding van Satan de ware koning van Babel. 

 

Vervolgens wil Nebukadnezar de bannelingen heropvoeden zodat ze God en Zijn woord verzaken en vergeten. Hij geeft het bevel in Daniël 1:3-5 “dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën (wijzen, de inwoners van Babylon).” Hij stelde ook “een dagelijkse hoeveelheid van de gerechten van de koning voor hen vast, en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden van de koning.”

 

Babyloniërs aten alles, ook dat wat door de voedselwetten in de Bijbel als onrein wordt beschouwd. Het voedsel dat op tafel kwam werd eerst aan de Goden geofferd en het eten ervan zou in de ogen van hen die het geofferd hadden een erkenning inhouden van de Goden en wat ze voorstelden.

Het voedsel en de wijn kwam van de tafel van de koning. Een gebruik van dit voedsel en het drinken van de wijn hield een erkenning in dat de koning en niet God het hoogste gezag was.

 

Gewetensvol en trouw als ze waren besloten Daniel en zijn vrienden een verzoek in te dienen om niet te eten en te drinken van de tafel van de koning. Hun verzoek werd op een wonderlijke wijze ingewilligd.

 

De koning wilde iedereen doen drinken van zijn wijn. De wijn van Babylon staat in De Bijbel voor alles wat tegengesteld is en afbreuk doet aan het woord van God. De wijn van Babylon is een verwijzing  naar de valse leer, de leugens en de wijsheid van deze wereld. Zoals echte wijn ook doet, vertroebelen deze leugens het verstand en houden ze de mensen gevangen in hun zondige of kwalijke gewoontes. De kracht van deze wijn wordt aangehaald in Jeremia 51:7. “Babel was in de hand van de HEERE een gouden beker, die heel de aarde dronken maakte. Van zijn wijn hebben de volken gedronken, daarom gedragen de volken zich als een waanzinnige.”

 

Omdat Babylon de mensen doet drinken van haar wijn wordt zij door God geoordeeld. “En een andere engel volgde, die zei: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, de grote stad, omdat zij alle volken van de wijn van de toorn van haar hoererij heeft laten drinken.” Openbaring 14:8

 

De wijn in deze tekst is gevuld met hoererij. Hoererij wordt in de Bijbel geassocieerd met een kerk die beweert God te dienen maar in wezen afvallig is omdat ze zich niet houdt aan wat het woord van God zegt (Jeremia 3:6-9; Jakobus 4:4). Daarenboven gaat ze een verbintenis aan met de wereldlijke macht om die te gebruiken voor het opleggen aan haar wil (Openbaring 13:11-17; 17:1-6; 18:3).

Deze beide daden van hoererij worden aannemelijk gemaakt door de volkeren te doordringen met leugens en verdraaiingen van Gods woord.

 

Daniël en zijn vrienden besloten om niet waanzinnig te worden door het drinken van de wijn van Babylon.  Ze namen zich voor om trouw te blijven aan het woord van God en niet te buigen voor een systeem dat mensen dwingt God te verloochenen (zie Daniël 3). Ze verzochten om ander voedsel en kregen het ook. Het resultaat van deze beslistheid om trouw te blijven aan het woord van God, lezen we in Daniël 1:18 - 21 “Aan het einde van de dagen waarvan de koning had gezegd dat men hen moest laten komen, liet het hoofd van de hovelingen hen bij koning Nebukadnezar komen. De koning sprak met hen. Maar onder hen allen werd niemand gevonden als Daniël, Hananja, Misaël en Azarja. Zij traden in dienst van de koning. In alle zaken waar het aankomt op een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs en bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren. En Daniël bleef tot het eerste jaar van koning Kores (536 v. C.).”

 

Zo komt Daniel omwille van zijn getrouwheid en ijver een belangrijke plaats te bekleden aan het koninklijke hof. Daar kan hij een krachtige getuigenis geven van de God die hij dient.

 

In het tweede jaar van zijn regering krijgt koning Nebukadnezar een droom. 

Wat die droom hem doet lezen we in Daniël 2:1. “In het tweede regeringsjaar van Nebukadnezar had Nebukadnezar dromen. Daardoor werd zijn geest verontrust en was het met zijn slaap gedaan.”

Uit de context van het verhaal weten we waar de koning in gedachten mee bezig was voor hij in slaap viel en droomde.

Daniel schrijft in Daniël 2:29: “Terwijl u, o koning, op uw bed lag, kwamen er gedachten in u op over wat hierna gebeuren zal.”  

 

Nebukadnezar had op zijn bed liggen nadenken over de toekomst van zijn rijk en vervolgens een droom gehad. Hij was er sterk van onder de indruk dat de droom zijn vragen over de toekomst beantwoordde. Maar er was een groot probleem: hij was de droom vergeten.

We lezen wat hij vervolgens doet in Daniël 2:2, 3. “Toen zei de koning dat men de magiërs, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën moest roepen om de koning zijn dromen bekend te maken. Zij nu kwamen en gingen vóór de koning staan. De koning zei tegen hen: Ik heb een droom gehad, en mijn geest is zo verontrust dat ik die droom wil weten.”

 

De wijzen schrokken. Dromen uitleggen, daar waren ze goed in. Maar een droom die iemand anders had gedroomd in herinnering brengen, was voor hen onbekend terrein. Ze drongen er bij de koning op aan hen de droom te vertellen. Maar ook hij is de inhoudt ervan vergeten. De koning wordt boos omdat ze hem de droom niet kunnen vertellen en hij dreigt hen allen om te brengen. Hij voelt zich bedrogen door hen die beweerden contact te hebben met de goden die naar zijn mening de droom hebben gegeven.

De wijzen dan zien geen andere weg dan het volgende toe te geven, Ze zeggen in Daniël 2:10, 11: “Er is geen mens op de aardbodem die de zaak van de koning te kennen zou kunnen geven. Daarom is er ook geen koning, hoe groot of machtig ook, die een zaak als deze gevraagd heeft van welke magiër, bezweerder of Chaldeeër dan ook. Want de zaak waar de koning om vraagt, is te moeilijk. Er is niemand anders die het in de tegenwoordigheid van de koning te kennen kan geven dan de goden, die hun verblijf niet bij de schepselen hebben.”

 

Ze hadden evengoed kunnen toegeven dat hun zelfbedachte goden nutteloos waren. Dat was precies wat God de Schepper van hemel en aarde wilde bereiken want zoals we meteen zullen zien was Hij het die de droom had gegeven en verborgen had gehouden.

 

Nebukadnezars woede is niet te stillen en hij beveelt alle wijzen in het rijk om te brengen. Daniël echter behoort ook tot de klasse van de wijzen. Vertrouwend op God die hem eerder uit benarde situaties heeft gered gebruikt hij wat diplomatie om een audiëntie te krijgen bij de koning met de bedoeling wat uitstel te vragen. De koning die Daniël steeds goed gezind is staat hem dit toe. De tekst zegt ons in Daniël 2:17-18  wat Daniël vervolgens doet. “Daarop vertrok Daniël naar zijn huis en liet hij de zaak aan zijn vrienden Hananja, Misaël en Azarja weten, opdat zij het aangezicht van de God van de hemel zouden zoeken om barmhartigheid te verkrijgen met betrekking tot deze verborgenheid, zodat men Daniël en zijn vrienden niet met de rest van de wijzen van Babel zou doen omkomen.”

 

Daniëls handelen hier was gebaseerd op twee zaken waarvan hij 100 % zeker was. Hij wist dat voor God niets verborgen is en dat Hij daarom precies wist wat Nebukadnezar had gedroomd. Hij wist dat God het gebed verhoort van hen die trouw zijn aan Zijn woord. Daarom was Daniël zo zeker en vastberaden. Dat was niet zonder resultaat. We lezen in Daniël 2:19:

“Toen werd aan Daniël in een nachtvisioen de verborgenheid geopenbaard. Daarop loofde Daniël de God van de hemel.”

 

De woorden van zijn lofprijzing openbaren een andere kijk op de geschiedenis. “Daniël nam het woord en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want van Hem is de wijsheid en de kracht.

Hij verandert de tijden en tijdstippen, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij geeft de wijsheid aan wijzen, de kennis aan wie verstand hebben.

Hij openbaart diepe en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. U, God van mijn vaderen, dank en prijs ik, omdat U mij wijsheid en kracht hebt gegeven, en mij nu hebt laten weten wat wij van U hebben verzocht, want U hebt ons de zaak van de koning laten weten.” Daniël 2:20-23

 

De geschiedenis hier wordt niet voorgesteld als een samenloop van omstandigheden; een menselijk geharrewar gestuurd door het recht van de sterkste of sluwste. De tekst zegt dat God koningen aanstelt en koningen afzet, hij verandert de tijden en tijdstippen. God is het die de geschiedenis stuurt. Wat Hij daarmee wil bereiken lezen we in Handelingen 17:26. 

“Uit één mens (Adam) heeft Hij de hele mensheid gemaakt, die Hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft Hij een tijdperk vastgesteld en Hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. Het was Gods bedoeling dat ze Hem zouden zoeken en Hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien Hij van niemand van ons ver weg is.”

 

In het boek Daniël hebben we een mooi voorbeeld van hoe God tot het hart van heersers spreekt om hen tot erkenning van Zichzelf te brengen en de betekenis van hun opdracht. Hij sprak tot Nebukadnezar door de droom, de verwikkeling eromheen, haar uitlegging en verder door wat gebeurt in hoofdstukken 3 en 4 van het boek. 

Ook sprak God tot Nebukadnezar tot de profeet Daniël die door de koning graag gezien werd. Daniël zei: “Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: breek met uw zonden door gerechtigheid te betrachten en met uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. Misschien zal er dan verlenging van uw voorspoed zijn.” Daniël 4:27

 

Zo doet God op de een of andere manier bij alle heersers. Hij spoort hen aan in gerechtigheid te regeren en de mensen ruimte te laten om God te zoeken. Indien deze luistert zal God hem voorspoedig maken indien niet zal Hij een einde maken aan zijn bestuur en een ander in zijn plaats brengen.

 

Na zijn gebed werd Daniël bij de koning gebracht. Daar vertelde hij aan de koning wat God hem had laten zien. Hij maakt gebruik van die gelegenheid om van God te getuigen. “Daniël antwoordde in de tegenwoordigheid van de koning en zei: De verborgenheid die de koning vraagt (de droom en haar uitleg), kunnen wijzen, bezweerders, magiërs en toekomstvoorspellers de koning niet te kennen geven.

Maar er is een God in de hemel Die verborgenheden openbaart. Hij heeft koning Nebukadnezar laten weten wat er in later tijd gebeuren zal. Uw droom en de visioenen die u voor ogen kwamen op uw bed, zijn deze:

Terwijl u, o koning, op uw bed lag, kwamen er gedachten in u op over wat hierna gebeuren zal. En Hij Die de verborgenheden openbaart, heeft u laten weten wat er gebeuren zal.

Mij nu, aan mij is deze verborgenheid geopenbaard, niet door een wijsheid die in mij is boven alle levenden, maar daarom dat men de koning de uitleg ervan zou laten weten en dat u de gedachten van uw hart zou weten.” Dan 2:27-35

 

Vervolgens vertelt Daniël wat de koning in zijn droom zag.

“U, o koning, keek toe, en zie: een groot beeld. Dit beeld was hoog, de glans ervan uitzonderlijk. Het stond voor u. De aanblik ervan was schrikwekkend.

Het hoofd van dit beeld was van goed goud, zijn borst en zijn armen waren van zilver, zijn buik en zijn dijen van brons, zijn benen van ijzer, zijn voeten gedeeltelijk van ijzer, gedeeltelijk van leem.”

“Hier keek u naar, totdat er, niet door mensenhanden, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die.”

“Toen werden het ijzer, het leem, het brons, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van teruggevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde.”

 

Het eerste wat Daniel deed nadat hij bij de koning was gekomen was God eren. De droom, zei Daniël, heeft God u gegeven omdat Hij uw verzuchtingen en vragen hoorde. Daniël spreekt over God als Degene die begaan is met het leven en de gedachten van elke mens. Het is niet een God die veraf is zoals de wijzen beweerden maar een God die nabij is. Het was Daniëls verlangen dat de koning ook God zou eren en op Hem vertrouwen in de uitvoering van het hem gegeven koningschap.

 

De koning zal de droom herkent hebben en hij was ervan overtuigd dat Daniël de waarheid sprak. Zijn volle aandacht ging nu uit naar de uitleg van de droom. 

Daniël ging verder en zei: “Dit is de droom. Nu zullen wij de uitleg ervan in de tegenwoordigheid van de koning vertellen: U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven. Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.” Daniël 2:36-38.

 

De uitleg van de droom is een profetie want ze voorspelt wat er na het gouden hoofd of de heerschappij van Babylon zal komen. Nebukadnezar zal het niet graag gehoord hebben wat Daniël vervolgens zei in Daniël 2:39-40 “Na u zal een ander koninkrijk opkomen, lager in waarde dan het uwe.”

 

Aan Nebukadnezar wordt hier de val van zijn rijk voorspelt. Deze voorspelling ging in vervulling met de verovering van het Babylonische rijk door de Meden en de Perzen onder Darius de Meder en Kores de Pers. Zij worden in het beeld voorgesteld door de twee zilveren armen.

De legers van de Medo Perzen omsingelden Babel in het jaar 539v. C. De immense door hoge muren omringde stad werd bevloeid door de Eufraat die midden door de stad liep. De vijandige legers slaagden erin de rivier droog te leggen door ze om te leiden en zo via de bedding onder de poorten de stad binnen te dringen. Diezelfde nacht stierf de laatste Babylonische koning Belsazar. 

 

Voor we verder gaan met de uitleg van de droom is het belangrijk om op te merken dat deze profetie begint bij het leven van de profeet Daniël in Babylon, in het beeld voorgesteld door het gouden hoofd. Meteen zullen we zien dat de profetie eindigt bij de wederkomst van Jezus en de oprichting van Gods koninkrijk. Deze vaststelling dwingt ons tot een historische interpretatie van de profetie. Dit betekent dat we de profetie noch geheel in het verleden noch geheel in de toekomst kunnen plaatsen maar dat ze het verloop van de geschiedenis beschrijft vanaf het leven van de profeet tot aan de wederkomst en de herschepping van de aarde. Dit is zoals we eerder opmerkten een specifiek kenmerk van apocalyptische profetie. Ook de vier volgende profetieën van Daniël, die een verdere meer gedetailleerde uiteenzetting zijn van de eerste, hebben dit kenmerk. 

 

Voor de bekendmaking van de droom wees Daniël erop dat het God is die koningen aanstelt en koning afzet. Dat laatste, het afzetten van een heerser gebeurt niet willekeurig maar op basis van een onderzoekend oordeel. Wat dit betekent wordt mooi geïllustreerd in Daniël hoofdstuk vijf waar we het verslag krijgen van de val van Babel en de onttroning van haar laatste koning Belsazar. Deze hield met zijn hele gevolg een feest waar de aanwezigen zoals de tekst zegt: “Wijn dronken en de goden van goud zilver koper ijzer hout en steen loofden.” Vervolgens zegt het verslag in Daniël 5:5-6 “Op hetzelfde ogenblik kwamen er vingers van een mensenhand tevoorschijn, die op het pleisterwerk van de wand van het koninklijk paleis schreven, tegenover de kandelaar, en de koning zag het gedeelte van de hand die schreef. Toen veranderde de gelaatskleur van de koning, zijn gedachten verschrikten hem, zijn heupgewrichten verslapten en zijn knieën knikten.”

 

Omdat ze het teken op de wand niet konden ontcijferen haalden ze er de profeet Daniël bij. Daniel herinnerde koning Belsazar eraan hoe Zijn Vader Nebukadnezar God had erkend als zijn Heer en zei: “Wat u, Belsazar, zijn zoon, betreft, u hebt uw hart niet vernederd, hoewel u dit alles wist. U hebt zich verheven tegen de Heere van de hemel u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden… uw koninkrijk is verdeeld en het is aan de Meden en de Perzen gegeven.” Daniël 5:22-28.

 

De heerschappij van Belsazar beantwoordde helemaal niet meer aan dat wat God van een koning verwacht en daarom kwam een eind aan zijn heerschappij en werd die aan een ander gegeven. Die andere wordt in het beeld uit de droom voorgesteld door het zilver. Zilver is lager in waarde dan goud. Het koper en het ijzer zijn ook steeds lager in waarde maar ze stijgen in sterkte.

De rijken die na Babylon komen zijn steeds groter en sterker maar ze kennen in Bijbels opzicht een steeds groter moreel verval veroorzaakt door de steeds grotere impact van het Babylonisch denken wat uiteindelijk zal leiden tot een totale verwerping van God zoals Hij Zichzelf openbaart en Zijn woord.  De mens verliest zijn ware identiteit die voorkomt uit het geschapen zijn naar het beeld van God en het hebben van een hart waarin Zijn wet staat geschreven. Geloof en de liefde uitgedrukt in het naleven van de geboden worden bijna niet meer gevonden en de gerechtigheid is ver te zoeken. 

 

Maar we zijn nog niet gekomen aan het einde van de verklaring van de droom. De profetie vervolgt met de woorden in Daniël 2:40 “Daarna nog een ander, het derde koninkrijk, van brons, dat heersen zal over de hele aarde.”

 

Deze voorspelling werd vervuld door de val van het Perzische rijk bij de slag van Gaugamela, op 1 oktober 331 v.Chr. Daar versloeg de strijdmacht van Alexander de Grootte het Perzische leger waardoor het grote Griekse wereldrijk ontstond. Het rijk wordt voorgesteld door het bronzen gedeelte van het beeld. Het kan een verwijzing zijn naar het bronzen wapentuig dat de Grieken gebruikten maar het is ook minder in waarde dan het zilver en wijst daarom op de neergang van de menselijke zeden die door de Bijbel worden aangeprezen. De Grieken legden de grondslag voor het humanisme waarin niet God maar de mens de maat is van alle dingen. Ze legden ook de basis voor het zuiver materialistisch denken dat al het bovennatuurlijke uitsluit en leidt tot moreel relativisme omdat er geen maatstaf meer is voor goed en kwaad.

 

De profetie voorspelt de val van het Griekse rijk in vers 40

“En het vierde koninkrijk zal sterk zijn als ijzer, want het ijzer verbrijzelt en vergruist alles. Juist zoals het ijzer alles verplettert, zo verbrijzelt en verplettert dit koninkrijk alles.”

 

De Romeinen maakten een einde aan het Griekse rijk na de derde Macedonische oorlog en de slag bij Pydna in 168 v. C.. De twee ijzeren benen kunnen een verwijzing zijn naar het West - en Oost Romeinse rijk maar de profetie zegt daar niets over. Ijzer is terug minder in waarde dan brons wat betekent dat het morele verval zich verderzet.

 

De profetie voorspelt vervolgens de verbrokkeling van het Romeinse rijk en de falende pogingen van de mensheid om terug een wereldrijk te vormen.

“Dat u verder de voeten en de tenen, gedeeltelijk van leem van een pottenbakker en gedeeltelijk van ijzer, gezien hebt – dat zal een verdeeld koninkrijk zijn. Het zal iets hebben van de hardheid van ijzer – juist daarom zag u ijzer vermengd met modderig leem.

En de tenen van de voeten, gedeeltelijk van ijzer en gedeeltelijk van leem – dat koninkrijk zal gedeeltelijk sterk zijn en gedeeltelijk broos.

Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem.” Daniël 2:41-43.

 

Het Romeinse rijk werd niet veroverd door een ander rijk. Het verloor haar eenheid na de immigratie van verschillende volkeren vergemakkelijkt door oncontroleerbare  grenzen. De Romeinse keizers waren van mening dat ze de eenheid van het rijk terug konden herstellen door allen onder een zelfde geloof te brengen. Met dit doel voor ogen gaven ze hun macht aan de kerk van Rome wat uiteindelijke leidde tot een langdurige heerschappij van het pausdom waarbij de wereldlijke machten in dienst stonden van de kerk om de wil van de kerk aan het volk op te leggen. Het is op deze wijze dat het ijzer verder aanwezig blijft tot in de toppen van de tenen van het beeld.

 

Verschillende heersers hebben geprobeerd de eenheid van het grote Romeinse rijk te herstellen. Ze deden dat o.a. door de vermenging van koninklijk bloed. Daarom zegt de profetie: “ze zullen zich door menselijk zaad vermengen” Zo scheidde Napoleon van zijn vrouw Joséphine omdat hij meer hield van de macht dan van haar. Hij wilde een politieke band met Oostenrijk en slaagde erin te huwen met prinses Marie Louise. Dit alles met één doel voor ogen: de eenheid te herstellen van het oude Romeinse rijk. 

Er wordt verteld dat de Russische tsaar tegen Napoleon eens zei: De mens wikt maar God beschikt”. Ik weet niet als hij daarbij de profetie van Daniel voor ogen had want daarin voorspelde God dat de beoogde eenheid nooit meer werkelijkheid zal worden. In de droom wordt dit geïllustreerd door de mengeling van ijzer en klei twee elementen die je onmogelijk aan elkaar kunt kleven.

 

Het streven naar eenmaking echter gaat door tot in de tenen van het beeld. 

We zijn hier gekomen in wat de Bijbel noemt de tijd van het einde. Het betreft gebeurtenissen die zich nog niet hebben voorgedaan.

 

Het boek Openbaring is een grote hulp bij het verklaren van de profetie van Daniël. Daarin wordt de betekenis verklaard van de voeten van het beeld en wordt geopenbaard  wat in de tijd van het einde zal gebeuren.

 

Het beeld uit de droom heeft 10 tenen. In Openbaring 17 lezen we dat in de tijd van het einde 10 koningen hun macht zullen afstaan aan de heersende religieus politieke macht. Deze macht wordt in de profetie voorgesteld als een beest dat bereden wordt door een hoer waarvan op het hoofd geschreven staat “het grote Babylon”.

 

 

Een beest dat tien horens heeft, staat voor een politieke macht en een hoer voor een afvallige kerk. We krijgen met andere woorden opnieuw een vereniging van staat en kerk die de wereld wil verenigen onder één zelfde religieus gezag. Het is een gezag dat zich boven het woord van God stelt en Babylon wordt genoemd. Ze slaagt erin de mensheid voor een ogenblik te verenigen omdat ze iedereen heeft laten drinken van haar wijn, symbool voor haar valse leer of leugens. De profetie zegt in Openbaring 17:12, 13  “En de tien hoorns die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koningschap nog niet hebben ontvangen, maar die samen met het beest één uur koninklijke macht zullen ontvangen. Dezen zijn eensgezind en zij zullen hun kracht en macht aan het beest overdragen.”

 

Tien staat in de Bijbel voor volledigheid. De tien koningen staan symbool voor alle wereldlijke machthebbers. Zij geven net zoals de Romeinse keizers macht aan een afvallige kerk hier voorgesteld door de hoer Babylon in een poging de wereld tot één rijk te maken. Maar hun streven is in werkelijkheid een strijd tegen God zoals in het volgende vers wordt weergegeven.

“Zij zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam – want Heere der heren is Hij en Koning der koningen – zal hen overwinnen, en zij die samen met Hem zijn, geroepenen, uitverkorenen en gelovigen.” Openbaring 17:14.

Dit vers uit Openbaring is een gedeeltelijke verklaring van de woorden waarmee Daniel de uitleg van de droom afsluit in Daniel 2:44, 45 

“In de dagen van die koningen (de tien horens van het beest in Openbaring) zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die andere koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden. Daarom hebt u gezien dat, niet door mensenhanden, uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, brons, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat er hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.”

 

Dit laatste gegeven van de profetie ontkracht de opvatting dat het koninkrijk van God op aarde kan gevestigd worden door menselijke betrachtingen; ze doorbreekt de illusie van een duizendjarig vrederijk. Alle koninkrijken, alle menselijke systemen worden teniet gedaan want zij worden in de weegschaal van Gods oordeel gewogen en te licht bevonden. De profetie zegt in Daniël 2:35 “Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van teruggevonden werd.”

 

De steen die de voeten verbrijzelt is Jezus die bij zijn wederkomst doet wat geschreven staat in 1 Thessalonicenzen 4:16, 17 “Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.”

 

Babylon mislukt in haar laatste poging om één wereldregering te vormen. Zij verliest haar laatste strijd tegen God en Zijn volk. Haar strijd wordt beëindigd bij de wederkomst waar de gelovigen ten hemel worden opgenomen en Babylon samen met allen die haar dienen als kaf worden op de dorsvloer en in het niet verdwijnen. De aarde blijft verweest achter totdat God haar zal vernieuwen zoals voorspelt in Openbaring 21:1-3 “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is.

En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.”

 

We zullen daar later meer over zeggen wanneer we spreken over de duizend jaar vernoemd in het boek Openbaring.

 

Dit was de droom en de uitleg ervan. Ze laat ons echter niet zonder vele vragen. Deze worden beantwoordt in de verklaring van de volgende profetieën.  

bottom of page