
Wat de Bijbel zegt
Een tijd van geestelijke duisternis
Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben" (Joh.8:12). Tot hen die tot het Licht der wereld gekomen waren, tot hen die Christenen geworden waren, zei Paulus, "Want u was voorheen duisternis, maar nu bent u licht in de Heere; wandel als kinderen van het licht" (Ef. 5:8).
Duisternis is wat er aanwezig is wanneer het Licht ontbreekt. Duisternis verhindert ons te zien hoe we werkelijk zijn en wat we werkelijk nodig hebben zodat we allerlei verkeerde ideeën over onszelf en onze medemensen onderhouden.
Wanneer "het waarachtige Licht dat ieder mens verlicht" (Johannes 1:9) in onze duisternis schijnt, zien we hoe we in de macht van de zonde zijn en er onszelf niet kunnen van ontdoen.
Voor sommigen is dat een reden om zich van het Licht af te keren en het te bestrijden. "En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht" (Johannes 3:19).
Veel van de geestelijke leiders in de tijd van Jezus waren in duisternis. Ze hadden de ware betekenis van Gods woord verloren door het te benaderen vanuit menselijke filosofische overwegingen. Jezus zei tot hen: "Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zien zouden, en die zien, blind zouden worden."
 En sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: "Zijn wij dan soms ook blind?"
Jezus zei tegen hen: "Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde."
Tot allen die hun nood beseffen, kwam Christus met oneindige hulp. Maar de Farizeeën wilden niet belijden dat zij iets nodig hadden; zij weigerden tot Christus te komen, en daarom werden zij in blindheid gelaten — een blindheid waaraan zijzelf schuldig waren. Jezus zei: "Daarom blijft uw zonde" (Joh.9:41).
Toen de discipelen zich verwonderden over de afkeer van de geestelijke leiders antwoordde Jezus: "Laat hen gaan; het zijn blinde geleiders van blinden. Als nu een blinde een blinde geleidt, zullen zij beiden in een kuil vallen." (Matteüs 15:14)
​
Inleiding Bijbellezing
De vervolgingen van de eerste eeuwen zorgden ervoor dat de zuiverheid van de kerk bewaard bleef. Alleen zij die uit liefde voor God bereid waren alles op te geven, traden toe tot de gemeenschap van de Christenen. Er was geen plaats voor hen die hun hoed naar de wind zetten of een godsdienst zoeken die hen winst oplevert. Daar kwam echter verandering in toen de vervolgingen ophielden. Spoedig werden in de kerk allerhande stemmen gehoord en aangenomen van mensen die beweerden te spreken namens God zoals dit ook vandaag het geval is. Het gevolg was geestelijke duisternis. Had God dit voorzien en wat stelt Hij ons ter beschikking om onderscheidt te maken tussen de waarheid en de leugen? Is het mogelijk de zuiverheid van het geloof te bewaren? Jezus zegt, “Ik ben de weg de waarheid en het leven…Mijn woord is de waarheid.” Daarmee geeft Hij aan wat ons helpt te onderscheiden.
​
Bijbellezing
Er zijn mensen die beweren van God gezonden te zijn of in Zijn naam te spreken. Moeten we die mensen zomaar geloven? Wat zegt de Bijbel daarover?
-
1 Johannes 4:1“Geliefden, gelooft niet elke geest; maar beproef de geesten of zij uit God zijn.”
​
Hoe beproef je iemand om te weten of hij uit God is? Wat moet je doen met de woorden die hij spreekt of de leer en het onderwijs dat hij brengt?
-
Jesaja 8:20 “Tot de wet en tot de getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit woord, is er geen dageraad.” (NBG)
De ‘wet’ en ‘de getuigenis’ verwijzen naar het woord van God dat we terugvinden in de Bijbel. De woorden en het onderwijs van iemand die beweert uit God te zijn, moeten we toetsen aan het hele woord van God om te zien of ze ermee overeenstemmen.
​
Wat als zijn woorden en onderwijs niet in overeenstemming zijn met wat in de Bijbel geschreven staat?
1 Timotheüs 6:3-5 “Als iemand een leer brengt en zich niet houdt aan de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en aan de leer die in overeenstemming is met de godsvrucht, dan is hij verwaand… denkend(e) dat de godsvrucht een bron van winst is. Wendt u af van dit soort mensen.”
Zij die beweren namens God te spreken maar uit zichzelf spreken of geleid worden door de tegenstander van de waarheid, worden aangeduid als ‘valse profeten’.
Hoe omschrijft Gods woord de wijze van doen van deze valse profeten?
Matteus 7:15 “Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.”
​
We hebben al gezien dat we hen kunnen ontmaskeren door hun woorden te toetsen aan de Bijbel. Aan wat nog meer zijn ze te herkennen?
-
Mattheüs 7:15 “Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen.”
​
Mensen die beweren door Gods Geest geleid te worden zouden ook de vruchten van Gods Geest moeten openbaren. Wat is de vrucht van de Geest?
-
Galaten 5:22 “liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.”
​
Elk van deze eigenschappen worden meer in detail besproken in het woord van God.
Enkele eigenschappen die we terugvinden over de liefde zijn:
“de liefde pronkt niet, zij doet niet gewichtig, zij zoekt niet haar eigen belang, zij verblijdt zich niet over ongerechtigheid maar verheugd zich over de waarheid, zij gelooft alle dingen.” 2 Korintiërs 13:4-8
Leest u verder het artikel na de Bijbellezing, dan zult u zien dat er na de vervolgingen in de eerste eeuwen mensen tot de kerk zijn toegetreden, bewerende namens God te spreken maar met de bedoeling om te heersen. Hun praktijken openbaren duidelijk dat zij de vrucht van de Geest niet bezitten.
Jezus was vervuld van de Geest. De vrucht van de Geest zien we niet alleen in Zijn onderwijs maar ook in Zijn liefdevolle en tedere omgang met de mensen.
Lees aandachtig de uitspraken van Jezus die verder volgen. Schenk aandacht aan de wijze waarop Hij met de mens omging, ook met hen die Hem niet geloofden. U zult straks bij het lezen van het artikel de duidelijke tegenstelling zien tussen Jezus en de leiders van de kerk die geestelijke duisternis brachten omdat ze niet uit God waren. Het zal ons ook helpen om dit onderscheid te maken in de tijd waarin we nu leven.
​
Hoe maakte Jezus duidelijk dat Zijn kerk geen aardse heerschappij of politieke macht was?
-
Johannes 18:36 “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn koninkrijk niet van hier.”
​
Velen van hen die Jezus volgden hadden de hoop dat Hij hen zou bevrijden van de Romeinse bezetter en zo het koninkrijk van Israël zou herstellen om er een wereldmacht van te maken. Wat deed Jezus toen het volk in deze hoop van plan was om Hem tot Koning te maken?
-
Johannes 6:15 “Omdat Jezus nu wist dat zij zouden komen en Hem met geweld mee zouden nemen om Hem koning te maken, trok Hij zich opnieuw terug op de berg, Hij zelf alleen.”
​
Wat zei Jezus tot Petrus toen deze Hem met het zwaard probeerde te verdedigen tegen Zijn vijanden?
-
Johannes 18:11 “Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?”
​
Kijken we vandaag naar bepaalde kerken dan zien we daar een sterke hiërarchische structuur met verschillende rangorden en een opperste leider. Wat dacht Jezus over een dergelijke wijze van heerschappij binnen Zijn kerk?
Mattheüs 23:8-12 “Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus. Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.”
De kerk is een lichaam of een organisatie die moet bestuurd worden. Met welke woorden maakte Jezus duidelijk dat het kerkelijk bestuur niet naar het voorbeeld van het werelds of politiek bestuur moest zijn?
-
Markus 10:42-45 “Maar Jezus riep hen bij Zich en zei tegen hen: U weet dat zij die geacht worden leiders te zijn van de volken, heerschappij over hen voeren, en dat hun groten gezag over hen uitoefenen. Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u belangrijk wil worden, die moet uw dienaar zijn. En wie van u de eerste zal willen worden, die moet slaaf van allen zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven als losprijs voor velen.”
Sommige kerkleiders verlangen dat men voor hen neerbuigt of dat men hun hand kust als erkenning van hun hoge positie. De apostelen echter namen de woorden van Jezus ter harte. Wat deed en sprak de apostel Petrus toen iemand voor hem knielde?
-
Handelingen 10:25 "En het gebeurde, toen Petrus naar binnen ging, dat Cornelius hem tegemoetkwam, aan zijn voeten viel en hem aanbad. Maar Petrus richtte hem op en zei: Sta op, ik ben zelf ook maar een mens."
Kerken hebben in de loop van de geschiedenis vele mensen vervolgd omdat ze zich niet wilden voegen naar het heersende geloof. Welke houding had Jezus tegenover de mensen die niet in Hem geloofden?
-
Johannes 12:47 “En als iemand Mijn woorden hoort en niet gelooft, veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld zalig te maken.”
Hoe maakte Jezus verder duidelijk dat het oordelen van een mens om wat hij gelooft niet toekomt aan enige kerkelijke of politieke macht?
-
Johannes 12:48 "Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iets wat hem veroordeelt, namelijk het woord dat Ik gesproken heb; dat zal hem veroordelen op de laatste dag."
Het is duidelijk dat het niet aan de mens of een organisatie van mensen gegeven is om het geweten van een ander mens te oordelen. Volkomen gewetensvrijheid is wat Jezus hier leerde. Daaruit volgt ook dat het uit den boze is om eender welk geloof op te dringen. God wil enkel een liefdesdienst en heeft een afkeer van elke vorm van dwang die onvermijdelijk tot hypocrisie leidt.
​
Dit betekent niet dat God er niet alles voor doet wat mogelijk is om binnen Zijn liefde ons tot Hem te trekken. Hoever is Hij in Zijn liefde voor ons gegaan?
-
Johannes 3:16 "Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft."
​
Wat heeft de apostel Johannes ertoe gebracht om God lief te hebben?
-
1 Johannes 4:19 “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad.”
​
Op welke manier nodigt Jezus ons uit Hem aan te nemen?
-
Mattheüs 11:28 “Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.”
​
Op welke manier benadert Hij ons?
-
Openbaring 3:20 “Zie, Ik sta aan de deur(van het hart) en Ik klop.”
Zal Hij de deur forceren?
-
Openbaring 3:20 “Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij.”
​
Hij laat het aan ons om de deur van ons hart te openen. Het moet een persoonlijke keuze zijn als antwoord op Zijn liefde voor ons.
​
Bij het lezen van het hierna volgende artikel zult u ook merken dat de leiders binnen de kerk, die de geestelijke duisternis brachten, zich niet hielden aan een aantal belangrijke woorden die Jezus sprak betreffende de wet van Zijn koninkrijk. Verder probeerden deze leiders de mensen te doen geloven dat het de kerk is die de mens verlost en niet Jezus Christus.
​
Wat zei Jezus over hen die de wet van Zijn koninkrijk (de tien geboden) zouden veranderen en aan de mensen leren Zijn wet te minachten?
-
Mattheüs 5:19 “Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.”
Wat zei Jezus over de weg tot de Vader. Door wie kan een mens terug verzoend worden met God?
Johannes 14:6 “Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.”
De woorden en het voorbeeld van Jezus Zijn licht dat schijnt in de duisternis zodat we niet misleid zouden worden. Laten we ze ter harte nemen want we leven in een tijd waarin de geschiedenis van de tijd van geestelijke duisternis zoals deze bestond tijdens de donkere middeleeuwen, zich herhaald.
In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen voorzegde de apostel Paulus de grote afval die zou leiden tot de vestiging van het pausdom. Hij zei dat „de dag des Heren" niet zou aanbreken voordat zich bepaalde ingrijpende veranderingen hadden voorgedaan: „Eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is". Ook waarschuwde de apostel zijn broeders: „Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking" (2 Tessalonicenzen 2:3,4,7). Zelfs in die begintijd zag hij dwalingen de gemeente binnensluipen die de weg zouden bereiden voor de ontwikkeling van het pausdom[1].
Zeer langzaam, in het begin heimelijk en in stilte, maar later openlijker naarmate het in kracht toenam en ging heersen over de geesten van de mensen, zette „het geheimenis der wetteloosheid" zijn bedrieglijk en godslasterlijk werk voort. Bijna onmerkbaar werden de gebruiken van het heidendom in de christelijke gemeente ingevoerd. De geest van toegevingen en de bereidheid tot aanpassing werden enige tijd tegengehouden door de zware vervolgingen die de gemeente onder het heidendom had te verduren. Maar toen de vervolgingen ophielden en het christendom ingang vond in de hoven en paleizen van koningen, verwisselde het de nederige eenvoud van Christus en zijn apostelen voor de pracht en praal van heidense priesters en vorsten en stelde het menselijke theorieën en tradities in de plaats van Gods eisen. De zogenaamde bekering van Constantijn in het begin van de vierde eeuw verwekte grote blijdschap. De wereld trad met een schijn van gerechtigheid toe tot de gemeente. Toen begon het verderf snel om zich heen te grijpen. Het heidendom, dat schijnbaar overwonnen was, werd de echte overwinnaar. Zijn geest beheerste de gemeente. Heidense leerstellingen, praktijken en bijgeloof werden opgenomen in het geloof en de godsdienst van mensen die zich voor Christus' volgelingen uitgaven. Het compromis tussen het heidendom en het christendom leidde tot het ontstaan van „de mens der wetteloosheid", die zich volgens de profetie zou verzetten tegen en zich ook zou verheffen boven God. Dit reusachtige stelsel van dwaalleringen is een meesterwerk van Satans macht, een monument van zijn pogingen om zichzelf op de troon te plaatsen en over de wereld te heersen naar eigen goeddunken.
Satan heeft eens een compromis met Christus willen sluiten. Hij kwam tot Gods Zoon in de woestijn en liet Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid zien. Hij bood Christus alles aan op voorwaarde dat Hij de heerschappij van de vorst der duisternis zou erkennen. Christus bestrafte deze arrogante verleider en dwong hem weg te gaan. Maar Satan heeft meer succes wanneer hij zich met dezelfde verleidingen bij de mens aandient. Ter wille van materieel voordeel en wereldse eer ging de kerk erkenning en steun zoeken bij de groten dezer aarde en toen ze Christus door haar handelwijze had verworpen, bewees ze haar trouw aan de vertegenwoordiger van Satan, de bisschop van Rome.
Volgens één van de belangrijkste leerstellingen van de rooms-katholieke kerk is de paus het zichtbare hoofd van Christus' wereldkerk en is hij bekleed met de hoogste macht over bisschoppen en priesters in alle delen van de wereld. Maar daar blijft het niet bij: men heeft de paus de namen en aanspreektitels van de Godheid gegeven. De paus wordt „Here God de Paus" genoemd en hij is onfeilbaar verklaard(zie appendix 1: Titels van de Paus). Hij wil dat alle mensen hem eer bewijzen. Zo wordt dezelfde eis die Satan in de woestijn heeft gesteld nog altijd herhaald door bemiddeling van de kerk van Rome. Zeer veel mensen zijn bereid hem deze eer inderdaad ook te bewijzen.
Maar zij die God dienen en eren, reageren op deze hemeltergende aanmatiging zoals Christus dat gedaan heeft met de verleidingen van de sluwe vijand: „Gij zult de Here, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen" (Lucas 4:8). God heeft nergens in zijn Woord ook maar enige aanwijzing gegeven dat Hij een mens heeft aangesteld tot hoofd van de gemeente. De leer van de pauselijke heerschappij druist lijnrecht in tegen de leer van de Bijbel. De paus heeft slechts macht over Christus' gemeente gekregen door wederrechtelijke toe-eigening.
Rooms-katholieken hebben de protestanten altijd van ketterij en moedwillige afscheiding van de ware kerk beschuldigd. Maar eigenlijk moeten ze zichzelf daarvan beschuldigen. Zij hebben de banier van Christus omlaag gehaald en zij zijn afgeweken van „het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is" (Judas 3).
Satan wist wel dat de Heilige Schrift de mensen in staat zou stellen zijn bedrog te ontdekken en dat ze zich dan tegen zijn macht zouden verzetten. Met dit Woord had zelfs de Verlosser der wereld zijn aanvallen afgeslagen. Bij elke aanval hield Christus hem het schild van de eeuwige waarheid voor door het uitspreken van de woorden: „Er staat geschreven". Tegenover elk voorstel van de verleider plaatste Hij de wijsheid en macht van het Woord. Wilde Satan zijn heerschappij over de mensen behouden en de macht van de pauselijke overweldiger vestigen dan moest hij hen in onwetendheid aangaande de Schrift houden. De Bijbel verheerlijkt God en zet de sterfelijke mens op zijn plaats. Daarom moesten zijn heilige waarheden verborgen blijven en onderdrukt worden. Deze redenering werd door de rooms-katholieke kerk overgenomen. Eeuwenlang was de verspreiding van de Bijbel verboden. De mensen mochten Gods Woord niet lezen of in huis hebben en gewetenloze priesters en prelaten legden zijn leer op zo'n manier uit dat hun onrechtmatige aanspraken erdoor werden gesteund. Daarom werd de paus door bijna iedereen erkend als de stedehouder van God op aarde, bekleed met macht over Kerk en Staat.
Toen het instrument dat de dwalingen aan het licht brengt eenmaal uit de weg was geruimd, kon Satan naar eigen inzichten handelen. Volgens de profetie zou het pausdom „er op uit zijn tijden en wet te veranderen" (Daniël 7:25). Dit werk werd onmiddellijk ondernomen. Om de bekeerlingen uit het heidendom iets in de plaats te geven voor de verering van hun afgoden en zodoende hun zogenaamde aanvaarding van het christendom te vergemakkelijken, werd het aanbidden van beelden en relikwieën langzamerhand in de christelijke godsdienst opgenomen. Een oecumenisch concilie (zie appendix 3: Beeldendienst), keurde later deze afgodendienst goed. Om het godslasterlijke werk af te ronden, heeft Rome zich het recht toegeëigend het tweede gebod, dat de beeldendienst verbiedt, uit Gods wet te schrappen en het tiende gebod te splitsen om toch het juiste aantal te behouden.
De geest van toegevingen aan het heidendom baande de weg voor een nog grotere aanslag op Gods gezag. Satan bediende zich van oneerlijke leiders in de gemeente om ook het vierde gebod te veranderen en hij probeerde de eeuwenoude sabbat, de dag die door God was gezegend en geheiligd, (Genesis 2:2,3) opzij te schuiven en in plaats daarvan het feest dat de heidenen vierden als „de eerbiedwaardige dag van de zon" in te voeren. Aanvankelijk werd deze verandering niet direct openlijk doorgevoerd. In de eerste eeuwen was de ware sabbat door alle christenen gevierd. Zij ijverden voor Gods eer en daar ze geloofden dat zijn wet onveranderlijk was, waakten ze ijverig over de heiligheid van haar geboden. Maar Satan ging met grote sluwheid te werk om het beoogde doel door bemiddeling van zijn medewerkers te bereiken. Om de aandacht van de mensen op de zondag te richten, maakte men er een feestdag van. Er werden kerkdiensten op die dag gehouden. Toch werd de zondag alleen als een dag van ontspanning beschouwd en werd de sabbat nog altijd geheiligd.
Om de weg te bereiden voor het werk dat hij van plan was tot stand te brengen, had Satan nog vóór de komst van Christus de Joden de sabbat met zeer strenge voorschriften laten verzwaren, waardoor sabbatsviering een last werd. Hij profiteerde van het ongunstige licht waarin de sabbat werd geplaatst en brandmerkte de sabbat als een Joodse instelling. Terwijl de christenen de zondag bleven vieren als een feestdag, zorgde hij ervoor dat ze van de sabbat een vastendag, een dag van droefheid en somberheid maakten om op die manier hun haat tegenover het Jodendom te tonen.
In het begin van de vierde eeuw vaardigde keizer Constantijn een bevel uit waarbij de zondag in het hele Romeinse rijk tot openbare feestdag werd uitgeroepen (zie appendix 4: De zondagswetten van Constantijn). De dag van de zon werd door zijn heidense onderdanen gevierd en werd door de christenen in ere gehouden. Het beleid van de keizer was erop gericht de tegenstrijdige belangen van het heidendom en het christendom met elkaar te verzoenen. Hij werd daartoe aangespoord door de bisschoppen van de kerk, die door eerzucht en machtswellust gedreven, meenden dat wanneer zowel christenen als heidenen dezelfde dag vierden het christendom door vele heidenen zogenaamd zou worden aangenomen en dat op die manier de macht en luister van de kerk zouden worden vergroot. Maar hoewel veel godvrezende christenen langzamerhand de zondag een zekere graad van heiligheid begonnen toe te kennen, vierden zij nog altijd de ware sabbat als de heilige dag des heren en heiligden zij hem in gehoorzaamheid aan het vierde gebod.
Maar daarmee was het werk van de aartsbedrieger nog niet af. Hij was vastbesloten de christelijke wereld onder zijn banier te scharen en er macht over uit te oefenen door bemiddeling van zijn stedehouder, de trotse bisschop, die zich uitgaf voor de vertegenwoordiger van Christus. Hij bereikte zijn doel door de medewerking van halfbekeerde heidenen, eerzuchtige prelaten en wereldsgezinde kerkleden. Van tijd tot tijd werden er grote concilies gehouden, waartoe de kerkelijke waardigheidsbekleders uit de gehele wereld bijeengeroepen werden. Op bijna elk concilie werd de sabbat die God had ingesteld wat verder verlaagd, terwijl de zondag in dezelfde mate werd verhoogd. Zo werd de heidense feestdag op den duur als een goddelijke instelling vereerd, terwijl de sabbat van de Bijbel werd gedoodverfd als een overblijfsel van het Jodendom en de mensen die hem vierden werden vervloekt.
De grote afvallige was erin geslaagd zich te verheffen „tegen al wat God of voorwerp van verering heet" (2 Tessalonicenzen 2:4). Hij had het enige gebod van de heilige wet dat het hele mensdom duidelijk wijst op de ware en enige God veranderd. In het vierde gebod wordt God geopenbaard als de Schepper van hemel en aarde. Het maakt daardoor een onderscheid tussen Hem en de afgoden. De zevende dag werd als een gedenkteken van het scheppingswerk en als een rustdag voor de mens ingesteld. Het moest de mens voortdurend herinneren aan God als de bron van alle leven en het voorwerp van verering en aanbidding. Satan wil de mens afleiden van zijn trouw aan God en van de gehoorzaamheid aan zijn wet. Daarom keert hij zich vooral tegen het gebod dat naar de Schepper verwijst.
De protestanten beweren tegenwoordig dat de zondag door de opstanding van Christus op die dag tot christelijke sabbat is verheven. Daar is echter geen enkel bewijs voor te vinden in de Bijbel. Christus en zijn apostelen hebben de zondag die eer niet bewezen. Het vieren van de zondag als een christelijke instelling vindt zijn oorsprong in het „geheimenis der wetteloosheid" (2 Tessalonicenzen 2:7), dat reeds in Paulus' dagen in werking was. Waar en wanneer heeft de Here dit geesteskind van het pausdom aangenomen? Welke geldige reden kan men aanvoeren voor een verandering die de Schrift niet goedkeurt?
In de zesde eeuw had het pausdom al een stevige positie verworven. De zetel van zijn macht was gevestigd in de hoofdstad van het keizerrijk en de bisschop van Rome werd tot hoofd van de hele kerk uitgeroepen. Het heidendom had plaats gemaakt voor het pausdom. „En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht" (Openbaring 13:2) (zie appendix 5: Profetische tijdperken). Toen begonnen de 1260 jaren van pauselijke onderdrukking, die waren aangekondigd in de profetieën van Daniël en de Openbaring (Daniël 7:25; Openbaring 13:5-7). De christenen werden voor de keus gesteld hun geloof de rug toe te keren en de roomse ceremoniën en eredienst te aanvaarden óf de rest van hun leven door te brengen in kerkers en ter dood gebracht te worden op de pijnbank de brandstapel of het schavot. Toen gingen de woorden van Jezus in vervulling: „En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden, en gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil" (Lucas 21:16,17). De vervolgingen die over de gelovigen losbarstten waren heviger dan ooit tevoren en de wereld werd één groot slagveld. Eeuwenlang vond de gemeente van Christus een toevlucht in de afzondering en de eenzaamheid. De profeet zegt in dit verband: ,,En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij daar twaalfhonderd en zestig dagen onderhouden zou worden" (Openbaring 12:6).
Toen de rooms-katholieke kerk aan de macht kwam, begonnen de donkere Middeleeuwen. Naarmate haar macht groeide, werd die duisternis groter. Het geloof in Christus, het ware fundament, werd op de paus van Rome overgedragen. De mensen vertrouwden niet meer op de Zoon van God voor de vergeving van hun zonden en hun eeuwige zaligheid, maar richtten hun blik naar de paus en naar de priesters en prelaten die hij met macht had bekleed. Men leerde hen dat de paus hun aardse middelaar was en dat niemand tot God kon komen dan door hem; men zei ook dat hij Gods vertegenwoordiger was en dat de mensen hem daarom onvoorwaardelijk moesten gehoorzamen. Als ze van deze bevelen afweken, was dat al een reden om de strengste straffen op het lichaam en de geest van de overtreders toe te passen. Zo werden de harten van de mensen van God afgeleid en keken ze op naar feilbare, dwalende en wrede mensen en naar de vorst der duisternis, die zijn macht door hen uitoefende. De zonde werd vermomd onder de dekmantel van heiligheid. Wanneer de Schrift wordt onderdrukt en de mens zichzelf boven alles verheft, kan men slechts bedrog, misleiding en verderfelijke goddeloosheid verwachten. Door de verheffing van menselijke wetten en overleveringen werd de verdorvenheid, die altijd volgt op de verwerping van Gods wet, openbaar.
Het waren gevaarlijke dagen voor Christus' gemeente. Er waren maar zeer weinig trouwe dragers van de kruisbanier. Hoewel er altijd getuigen voor de waarheid zijn geweest, was het op sommige ogenblikken alsof dwaling en bijgeloof helemaal de overhand zouden krijgen en de ware godsdienst van de aarde zou worden gebannen. Men verloor het evangelie uit het oog, terwijl de godsdienstige vormen in aantal toenamen en het volk onder de strenge eisen gebukt ging. Men vertelde de mensen niet alleen dat ze de paus als hun middelaar moesten beschouwen, maar men leerde ze ook vertrouwen op hun eigen werken ter verzoening van hun zonden. Lange pelgrimstochten, boetedoening, het vereren van relikwieën, het bouwen van kerken, heiligdommen en altaren, het betalen van grote sommen aan de kerk en nog veel andere verplichtingen werden aan de mensen opgelegd om Gods toorn te verminderen of om zijn gunst af te smeken, alsof God is als de mensen en door onbenulligheden toornig wordt of door giften en boetedoening gunstig wordt gestemd.
Ondanks de goddeloosheid die zelfs onder de leiders van de rooms-katholieke kerk heerste, scheen haar invloed voortdurend te groeien. Tegen het einde van de achtste eeuw kwamen de pausgezinden voor de dag met de bewering dat de bisschoppen van Rome in de eerste eeuwen van de kerk dezelfde geestelijke macht hadden uitgeoefend als die waar ze op dat ogenblik recht op meenden te hebben. Om deze bewering kracht bij te zetten moesten ze wel een middel vinden om er een schijn van gezag aan te geven. De vader der leugen zorgde daar in een handomdraai voor: de monniken vervalsten enkele oude documenten en men ontdekte besluiten van kerkvergaderingen waar geen mens ooit van gehoord had. Volgens deze vervalsingen zou het oppergezag van de paus al in de vroegste tijden zijn vastgelegd. De kerk, die de waarheid de rug had toegekeerd, nam dit bedrog gretig aan (zie appendix 6: Vervalsingen). De weinige trouwe bouwmeesters die bouwden op het ware fundament (l Korinthiërs 3:10,11), werden in de war gebracht en gehinderd door het puin van de valse leerstellingen die hun werk in de weg stonden. Zoals de bouwlieden die in Nehemia's dagen de muur van Jeruzalem bouwden, waren enkelen geneigd te zeggen: „De kracht der dragers schiet te kort en puin is er te veel; wij zijn niet in staat de muur te bouwen" (Nehemia 4:10). Afgemat door de voortdurende strijd tegen vervolging, bedrog, goddeloosheid en door elke andere hindernis die Satan maar kon bedenken om hun vooruitgang te stuiten, werden sommige van de trouwe bouwlieden ontmoedigd. Ter wille van de vrede en de veiligheid van hun eigen bezittingen en hun leven wendden zij zich af van het ware fundament. Anderen werden niet verschrikt door de tegenstand van hun vijanden en zeiden onbevreesd: „Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here" (Nehemia 4:14) en gingen verder met hun werk en elk had zijn zwaard aan zijn zij (Efeziërs 6:17).
Dezelfde geest van haat en verzet tegen de waarheid heeft de vijanden van God in alle eeuwen bezield en zijn dienaren moeten dezelfde waakzaamheid en getrouwheid aan de dag leggen. De woorden van Christus aan de eerste discipelen slaan ook op zijn volgelingen aan het einde der tijden: „Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: Waakt!" (Marcus 13:37).
De duisternis scheen nog dichter te worden. De beeldendienst werd steeds algemener. Men brandde kaarsen voor de beelden en er werden gebeden tot hen gericht. De dwaaste en meest bijgelovige praktijken vierden hoogtij. De geesten van de mensen waren zo in de ban van het bijgeloof dat de rede alle macht scheen te hebben verloren. Daar de priesters en bisschoppen wellustig, zinnelijk en verdorven waren, is het geen wonder dat de mensen die naar hen opkeken voor leiding totaal onwetend waren.
In de elfde eeuw werd er nog een stap gezet op de weg van de pauselijke aanmatiging toen paus Gregorius VII de volmaaktheid van de rooms-katholieke kerk afkondigde. Eén van de stellingen die hij verdedigde luidde: „De kerk heeft volgens de Schrift nooit gedwaald en kan ook nooit dwalen". Maar hij staafde zijn bewering niet met bewijzen uit de Schrift. De trotse bisschop wilde ook de macht hebben om keizers af te zetten. Hij verklaarde dat geen enkel vonnis dat hij had uitgesproken door iemand anders kon worden vernietigd, maar dat hij wel het recht had de beslissingen van anderen ongedaan te maken (zie Appendix 7: Dictatus Papae).
Een sprekend voorbeeld van het tirannieke karakter van deze verdediger van de onfeilbaarheid is zijn behandeling van de Duitse keizer Hendrik IV. Deze vorst werd geëxcommuniceerd en onttroond omdat hij het gewaagd had geen rekening te houden met het gezag van de paus. Hij werd verschrikt door de bedreigingen van zijn eigen vorsten, die hem in de steek lieten en in hun opstand tegen hem werden aangemoedigd door pauselijk verordening, waardoor hij wel genoodzaakt was vrede te sluiten met Rome. Met zijn vrouw en een trouwe dienaar trok hij in het hartje van de winter over de Alpen om zich voor de paus te verootmoedigen. Toen hij aankwam op het kasteel waar Gregorius zich had teruggetrokken, werd hij zonder geleide naar een voorhof gebracht en moest daar in de strenge winterkou, blootshoofds, barrevoets en in een schamel kleed gehuld, wachten tot het ogenblik dat de paus hem toestemming zou geven in zijn tegenwoordigheid te komen. Pas nadat hij drie dagen had gevast en zijn schuld had beleden, verwaardigde de paus zich hem vergiffenis te schenken. En zelfs toen was het nog op voorwaarde dat de keizer zou wachten op de toestemming van de paus om weer de tekenen van zijn waardigheid te dragen of zijn keizerlijke macht uit te oefenen. Gregorius, die ontzettend blij was met deze overwinning, was er trots op dat het zijn taak was de trots van de aardse machthebbers te breken.
Hoe opvallend is de tegenstelling tussen de hoogmoed van de paus en de ootmoed en zachtmoedigheid van Christus, die zegt dat Hij aan de deur van het hart staat en vraagt om binnen gelaten te worden, zodat Hij vergiffenis en vrede kan brengen, en zijn discipelen leerde: „En wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn" (Matteüs 20:27).
In de daaropvolgende eeuwen slopen er steeds meer dwalingen in de leerstellingen die door Rome werden verkondigd. Zelfs al vóór het instellen van het pausdom had men belangstelling getoond voor de leer van heidense wijsgeren en hadden zij grote invloed uitgeoefend op de kerk. Velen die beweerden dat ze bekeerd waren, geloofden nog in de leerstellingen van hun heidense wijsbegeerte en bleven die niet alleen nog verder bestuderen, maar drongen ze ook op aan anderen om door middel daarvan hun invloed onder de heidenen te vergroten. Zo slopen ernstige dwalingen het christelijk geloof binnen. De belangrijkste daarvan zijn het geloof in de natuurlijke onsterfelijkheid van de mens en het bewustzijn na de dood. Deze leer legde het fundament waarop Rome het aanroepen van de heiligen en de verering van de Maagd Maria grondvestte. Hieruit ontstond ook de ketterij van de eeuwige straf voor degenen die onboetvaardig stierven, een punt dat al heel vroeg in de pauselijke leer werd opgenomen.
Toen stond de weg open voor de invoering van nog een ander verzinsel van het heidendom, dat Rome „het vagevuur" noemde en gebruikt werd om de lichtgelovige en bijgelovige massa schrik aan te jagen. Volgens deze ketterij bestaat er een plaats van pijniging waar de zielen van mensen die geen eeuwige verdoemenis hebben verdiend voor hun zonden moeten boeten en vanwaar uit zij in de hemel worden toegelaten nadat ze van hun onreinheid zijn gezuiverd (zie appendix 8: Het vagevuur).
Er was nog een ander verzinsel nodig om het Rome mogelijk te maken munt te slaan uit de vrees en de zonden van haar aanhangers. Dit gebeurde door de leer van de aflaten. De volledige vergeving van zonden van verleden, heden en toekomst en de kwijtschelding van alle opgelopen straffen en boeten werden beloofd aan alle gelovigen die zouden deelnemen aan de oorlogen van de paus om zijn wereldlijke macht uit te breiden, zijn vijanden te straffen of om allen uit te roeien die het zouden wagen zijn geestelijk oppergezag niet te erkennen. Ook leerde men de mensen dat ze zich door het betalen van geld aan de kerk konden vrijkopen van zonde en ook de zielen van hun overleden vrienden die in het vagevuur waren, konden verlossen. Met zulke middelen vulde Rome haar schatkist en betaalde ze voor de pracht en praal, de weelde en de ondeugden van de zogenaamde vertegenwoordigers van Hem, die geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen (zie appendix 9: Aflaten).
De bijbelse instelling van het Heilig Avondmaal was vervangen door het afgodische misoffer. De roomse priesters beweerden dat ze met hun zinloos gemompel het eenvoudige brood en de wijn veranderden in het ware „lichaam en bloed van Christus" (Kardinaal Wiseman, The Real Presence of the Body and Blood of Our Lord Jesus Christ in the Blessed Eucharist, Proved From Scripture, lecture 8, sec.3, par.26). Met godslasterlijke aanmatiging eigenden zij zich openlijk de macht toe om God, de Schepper van alle dingen, te scheppen. Van alle christenen werd op straffe des doods geëist dat ze zouden geloven in deze gruwelijke, hemeltergende ketterij. Talloze mensen die weigerden dat te doen, werden aan de vlammen prijsgegeven. (zie appendix 10: De mis).
In de dertiende eeuw werd het vreselijkste werktuig van het pausdom in gebruik genomen: de inquisitie. De vorst van de duisternis werkte samen met de leiders van de pauselijke hiërarchie. In hun geheime beraadslagingen beheersten Satan en zijn engelen de geesten van de mensen terwijl ongemerkt een engel van God in hun midden was en het vreselijke verslag van hun schandelijke besluiten opmaakte en de geschiedenis optekende van daden die te verschrikkelijk zijn om door de ogen van mensen te worden gezien. „Het grote Babyion" was „dronken van het bloed der heiligen". De verminkte lichamen van miljoenen martelaren riepen tot God om wraak op deze afvallige macht.
De paus was de tiran van de wereld geworden. Koningen en keizers bogen zich voor de bevelen van de paus in Rome. Het lot van de mensen, voor tijd en eeuwigheid, scheen in zijn handen te zijn. Honderden jaren lang werden de leerstellingen van Rome overal onvoorwaardelijk aanvaard; haar riten werden in ere gehouden en haar feesten werden algemeen gevierd. Haar geestelijkheid werd geëerd en met milde hand gesteund. De rooms-katholieke kerk heeft nooit meer zo'n aanzien, luister en macht gekend.
Maar „de middagglans van het pausdom was het middernachtelijk duister van de wereld" (J.A. Wylie, The History of Protestantism, b. l, ch. 4). De Heilige Schrift was zo goed als onbekend, niet alleen bij het volk, maar ook bij de priesters. Zoals de Farizeeën van vroeger haatten de roomse leiders het licht dat hun zonden zou openbaren. Daar Gods wet, de maatstaf van gerechtigheid, opzij was geschoven, hadden ze een onbegrensde macht en gaven ze zich over aan een ongebreidelde goddeloosheid. Bedrog, hebzucht en losbandigheid heersten overal. De mensen deinsden voor geen enkele misdaad terug waardoor ze rijkdom of een goede positie konden verwerven. In de paleizen van pausen en prelaten deden zich de laagste uitspattingen voor. Enkele van de regerende pausen maakten zich schuldig aan zulke weerzinwekkende misdaden, dat wereldlijke machthebbers deze kerkelijke waardigheidsbekleders probeerden af te zetten omdat deze monsters te gemeen waren om te worden geduld. Eeuwenlang werd in Europa geen vooruitgang geboekt op het gebied van wetenschap, kunst of beschaving. De christenheid was het slachtoffer geworden van morele en intellectuele verlamming.
De toestand van de wereld onder rooms-katholieke heerschappij was een verschrikkelijke en treffende vervulling van de woorden van de profeet Hosea: „Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u (...) daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten". „Er (is) geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods in het land. Vloeken, liegen, moorden, stelen en echtbreken! Men pleegt geweld, bloedbad volgt op bloedbad" (Hosea 4:6,1,2). Dat waren de gevolgen van het verbieden van Gods Woord.
De Grote Strijd, Een tijd van geestelijke duisternis, E.G.White, Veritas, 185, p.45
Appendix
1. TITELS VAN DE PAUS. - „De paus wordt met een betrekkelijk groot aantal titels aangeduid. Vroeger waren zijn aanspreektitels: Beatitudo Vestra, Magnitudo Vestra, Excellentia Vestra, Majestas Vestra. De meest gebruikte titels zijn Pontifex Maximus, Sumus Pontifex, die eertijds aan de bisschoppen en aartsbisschoppen werden gegeven, Sanctitas et Sanctissime Pater (Zijne Heiligheid, Zeer Heilige Vader). De titel Plaatsbekleder van Christus werd aan de bisschop van Rome gegeven en later ook aan bisschoppen en koningen, maar wordt pas sinds de dertiende eeuw uitsluitend voor de paus gebruikt. De bekende titel Dienaar der Dienaren Gods (Servus servorum Dei) komt voor het eerst voor in een brief van Augustinus. Deze titel was één van de vele die Gregorius I voor zichzelf gebruikte. Pas onder Innocentius III wordt hij algemeen gebruikt en tegen het midden van de 15de eeuw komt hij uitsluitend voor in pauselijke bullen” (ontleend aan P. Larousse, Dictionnaire Universel, art. „Papauté”, vol. XII, p.137). „Sinds Innocentius III hebben de pausen, die geen genoegen meer namen met de benaming ‘opvolger’ of ‘plaatsbekleder’ van Petrus of niet meer tevreden waren over het feit dat ze met deze apostel werden vereenzelvigd (Gregorius VII!), de titel ‘plaatsbekleder van Christus’ of ‘plaatsbekleder van God’ aangenomen. Innocentius verklaarde in dit verband: „Wat de paus in de Kerk doet, is niet door een mens gedaan, maar door God zelf, door bemiddeling van zijn plaatsbekleder”. Innocentius’ uitleggers beweren dat dit gebeurt krachtens een coeleste arbitrium, waardoor hij de aard der dingen kan wijzigen, alsook het recht kan ombuigen en dat hij daar geen ander argument voor hoeft aan te voeren dan dat het zijn wil is. De monnik Augustinus Triumphus zei: „Niemand kan tegen een oordeel van de paus bij God in beroep gaan, aangezien het vonnis van de paus dan van God zelf is (unum consistorium et ipsius papae et ipsius Dei). Hij is zoals Christus de Bruidegom van de Kerk; hij oordeelt de hele wereld en kan door niemand geoordeeld worden”. Tenslotte deinsde Zizelinus, specialist in het canoniek recht, er niet voor terug hem Dominum Deum nostrum papam te noemen en de Normandische dichter Geoffoy de Visinaut verklaarde dat God bij het scheppen van de wereld twee bestuursgebieden had ingesteld: de hemel voor Hem en de aarde voor Innocentius III” (Etienne Chastel, Histoire du Christianisme depuis son origine jusqu’à nos jours, vol III, pp.188, 189 Parijs, Fischbacher, 1885). In een passage van het rooms-katholieke kanoniek recht of Corpus Juris Canonici verklaart Innocentius III dat de paus „stedehouder op aarde is - niet van een gewoon mens, maar van God zelf”. In een aantekening bij deze tekst wordt gezegd dat dit zo is omdat hij de stedehouder is van Christus, die „werkelijk God en werkelijk mens is”. Zie Decretales Domini Gregorii Papae IX (Decretalen van de Heer Paus Gregorius IX), liber 1, de translatione Episcoporum, titel 7, hoofdst. 3; Corpus Juris Canonici (2de druk Leipzig, 1881), kol. 99; (Parijs, 1612). deel 2, Decretales, kol.205). De documenten van de Decretalen werden verzameld door Gratianus, die omstreeks 1140 aan de universiteit van Bologna doceerde. Zijn werk werd uitgebreid en opnieuw uitgegeven door paus Gregorius IX in een uitgave van 1234. Van tijd tot tijd verschenen nog meer documenten, met inbegrip van de Extravagantes, die tegen het einde van de vijftiende eeuw werden toegevoegd. Al deze documenten werden samen met het Decretum van Gratianus in 1582 uitgegeven onder de titel Corpus Juris Canonici. In 1904 gaf paus Pius X toestemming om het tot kanoniek recht te codificeren. Het wetboek dat daaruit voortkwam, werd in 1918 van kracht. Wat de titel „Here God de Paus” betreft, zie aantekening bij de Extravagantes van Paus Joannes XXII, titel 14, hoofdst. 4, Declaramus. In een Antwerpse uitgave van de Extravangantes uit het jaar 1584 komen de woorden „Dominum Deum nostrum Papam” voor in kolom 153. In een Parijse editie van 1612 komen ze voor in kolom 140. In verscheidene edities na 1612 is het woord „Deum” („God”) weggelaten. Ook de lijst van pauselijke functies en wereldlijke, kerkelijke, lokale, regionale en universele bevoegdheden is bepaald indrukwekkend te noemen. De paus is: · plaatsbekleder van Jezus Christus · opvolger van Petrus · opperherder van de universele kerk · patriarch van het Westen · primaat van Italië · aartsbisschop en metropoliet van de Romeinse kerkprovincie · bisschop van Rome · soeverein van de staat Vaticaanstad.
2. ONFEILBAARHEID. - Zie voor de leer van de onfeilbaarheid zoals die op Vaticanum I (1870-1871) is uiteengezet, Philip Schaff, The Creeds of Christendom, vol. 2, Dogmatic Decrees of the Vatican Council, pp. 234-271, waarin zowel de Latijnse als de Engelse tekst worden gegeven. Voor commentaar zie, voor de rooms-katholieke visie, The Catholic Encyclopedia, vol 7, art. „Infallibility door Patrick J. Toner, p. 790 e.v.; James kardinaal Gibbons, The Faith of Our Fathers (Baltimore: John Murphy Company, 110de druk, 1917), in het Nederlands vertaald door E.H. Blaisse en uitgegeven door J.R. van Rossum, Utrecht (1920, 4de druk), hoofdst. 7, 11. Voor verzet van rooms-katholieke zijde tegen de leer van de pauselijke onfeilbaarheid, zie Johann Joseph Ignaz von Döllinger (pseudoniem ”Janus”) The Pope and the Council (New York: Charles Scribner’s Sons, 1869) en W.J. Sparrow Simpson, Roman Catholic Opposition to Papal Infallibility (London; John Murray, 1909). Voor een niet-katholiek standpunt, zie George Salmon, Infallibility of the Church (London: John Murray, herziene uitgave 1914), en V. Norskov Olsen, Pausdom en godsdienstvrijheid (Tekenen des Tijds, Brussel, uitg. 1974). Een recente, geruchtmakende publikatie is het boek van de rooms-katholieke hoogleraar Hans Küng, met de veelzeggende titel Unfehlbar? (Benziger Verlag, 1970), in het Nederlands vertaald onder de titel Onfeilbaar? (1970). Verschuerens Modern Woordenboek (1961) zegt in dit verband: „Als wettig opvolger van de H. Petrus, heeft de paus, krachtens goddelijke instelling, het hoogste, onvergankelijk kerkelijk oppergezag of primaatschap. Dit omvat de macht om te besturen, te oordelen en te straffen. Als hij ex cathedra spreekt is hij onfeilbaar.”
3. BEELDENDIENST. - „De eerste christenen hadden de vormen van hun eredienst rechtstreeks ontleend aan de diensten in de synagoge en hadden uiteraard geen beelden. Ze vonden de bijgelovige verering van de heidenen voor de zichtbare voorstelling van hun goden gewoon bespottelijk. Dit is trouwens één van de thema’s die de apologeten bij voorkeur behandelen. De verdedigers van de oude godsdienst maakten precies hetzelfde onderscheid als de rooms-katholieken van vandaag tussen het beeld op zichzelf en degene die het voorstelt, maar ze slaagden er evenmin als zij in het bezwaar dat uit de praktijk voortvloeide uit te schakelen (Lactantius, Divinae Institutiones, II, 2)... „Bij de massale toetreding van de heidenen tot de kerk in de vijfde eeuw maakte deze oorspronkelijk strengheid evenwel geleidelijk plaats voor meer soepelheid. Het duurde niet lang of de heilige afbeeldingen werden vereerd en deze verering ontaardde spoedig in afgoderij. Enkele bisschoppen probeerden dit misbruik te bestrijden... „Maar Rome was altijd geneigd deze devotie eerder aan te moedigen dan te beperken, hoewel Gregorius de Grote streng de hand hield aan het verbod van elke vorm van aanbidding van beelden die door de mens waren gemaakt. Dit nam niet weg dat de massa verder ging op deze gevaarlijke weg... In Byzantium werd de eerste poging gedaan om het tij te keren. Zij die deze hervorming wilden invoeren, wensten de christelijke kerk te zuiveren van de blaam dat ze afgodendienaars waren. Deze beschuldiging kwam van de moslims en was wellicht één van hun opvallendste verwijten... „In 754 riep Constantijn Copronymus (keizer van Byzantium) een oecumenisch concilie bijeen te Constantinopel. Geen van de patriarchen was aanwezig, maar de 338 bisschoppen die in deze stad vergaderden, verklaarden dat alleen Satan de aanbidding van (beelden en ) schepselen had kunnen invoeren... Ze betoogden ook dat de beeldendienst in strijd was met de Heilige Schrift (Johannes 4:24; 1:18; 20:29; Deuteronomium 5:8,9; Romeinen 1:23; 2 Korintiërs 5:7; Romeinen 10:17) en door de kerkvaders was veroordeeld. Zij die een tegengestelde mening verdedigden, werden vervloekt, en alle geestelijken moesten het decreet onderschrijven. ... PAUS STEPHANUS III VERWIERP HET DECREET VAN 754, en in 769 liet zijn opvolger, STEPHANUS IV, DE TEGENSTANDERS VAN DE BEELDENDIENST VEROORDELEN DOOR EEN LATERAANS CONCILIE. ... In 787 (TWEEDE CONCILIE VAN NICEA) WERD HET DECREET VAN 754 VEROORDEELD, en werd bepaald dat men de beelden hulde en verering verschuldigd was, waarbij een onderscheid werd gemaakt met de eigenlijke aanbidding, die alleen God toekwam. „De beeldenstrijd in de Byzantijnse kerk had zijn weerslag in het Westen. ... Het concilie van Frankfort (794), verwierp ondanks de aanwezigheid van de legaat de in Nicea opgestelde decreten met eenparigheid van stemmen en sprak een vloek uit over iedereen die de beelden servitium aut adorationem (hulde of verering) bewees. Zolang Karel de Grote leefde, bleef het verzet tegen de beeldendienst in het Frankische rijk en in Bretagne bestaan. Het pauselijk hof durfde alleen maar enkele gedempte protesten te laten horen. ... „Maar deze individuele of plaatselijke inspanningen konden de geleidelijke invasie van de beeldendienst, die steeds door Rome was aangemoedigd, niet tegenhouden. Langzamerhand vond het grofste bijgeloof, waarvan Rome de bron was, ingang” (F. Lichtenberger, Encyclopédie des Sciences religieuses, Parijs, Fischbacher, 1879, vol. VI, pp. 486-490, art. Images (Querelle des), door A Réville). In de door E.G. White Trustees goedgekeurde aantekeningen bij The Great Controversy wordt over dit onderwerp het volgende gezegd: „De beeldendienst ... is één van de misbruiken van het christendom die heimelijk en bijna ongemerkt de kerk zijn binnengeslopen. Dit misbruik is niet zoals andere ketterijen ineens ontstaan, want dan zou het onherroepelijk zijn afgewezen en veroordeeld. Het deed zijn intrede in een fraaie vermomming en de invoering van allerlei praktijken die er verband mee hielden was zó geleidelijk dat de kerk op den duur doordrongen was van afgoderij, waar niemand zich werkelijk tegen verzette of ernstig tegen protesteerde. Toen er later pogingen werden gedaan om het uit te roeien, was het kwaad al te diepgeworteld om het nog te vernietigen. ... Het moet worden toegeschreven aan de afgodische neiging van het menselijk hart en aan de zucht van de mens het schepsel meer te eren dan de Schepper. ... „Beelden en schilderijen werden aanvankelijk niet in kerken aangebracht om te worden aanbeden, maar ze werden gebruikt in plaats van boeken om de gelovigen die niet konden lezen aanschouwelijk onderwijs te geven en de anderen die dat wel konden tot vroomheid aan te sporen. Het is de vraag of ze ooit aan dit doel hebben beantwoord. Zelfs als we aannemen dat dit enige tijd wel het geval was, heeft het zeker niet lang geduurd en kan men vaststellen dat de schilderijen en beelden die men in de kerken had geplaatst de geesten van de analfabeten eerder verduisterden dan verlichtten en de vroomheid van de kerkgangers eerder deed afnemen dan toenemen. Ook al waren ze bedoeld om de geesten naar God te richten, op den duur keerden de mensen zich toch van God af en begonnen ze de voorwerpen te aanbidden” - J. Mendham, The Seventh General Council, the Second of Nicaea, Introduction, pp. III - VI.
Voor het verslag van handelingen en besluiten van het tweede concilie van Nicea (787 na Chr.), dat bijeengeroepen was om de beeldendienst officieel in te stellen, zie Baronius, Ecclesiastical Annals, vol. 9, pp. 391-407 (Antwerpen, 1612); J. Mendham, The Seventh General Council, the Second of Nicaea; Ed. Stillingfleet, Defense of the Discourse Concerning the Idolatry Practiced in the Church of Rome (London, 1686); A Select Library of Nicene and Post-Nicene Fathers, tweede serie, vol. 14, pp. 521-587 (New York, 1900); Charles J. Hefele, A History of the Councils of the Church, From the Original Documents, b. 18, ch.1, sec. 332,333; ch.2, sec. 345-352 (T. en T. Clark, ed., 1896), vol.5, pp. 260-304, 342-372. Zie ook: abbé Fleury, Histoire Ecclésiastique, vol. IX, Brussel, 1721; C.J. Hefele, Histoire des Conciles, 7 vol. 1855-1874, 2de druk, 1873). DE ZONDAGSWETTEN VAN CONSTANTIJN - De wet die op 7 maart 321 door keizer Constantijn werd uitgevaardigd met het oog op het officieel instellen van een rustdag luidt als volgt: „Alle rechters, alle stedelingen en alle ambachtslieden moeten op de gedenkwaardige Dag van de Zon rusten. De bewoners van het platteland mogen echter vrij op het land werken omdat het vaak voorkomt dat geen enkele andere dag zó geschikt is om het graan te zaaien of om wijnstokken te planten. Daarom mogen zij de zegeningen van de hemel niet door hun rust verloren laten gaan” - Joseph Cullen Ayer, A Source Book for Ancient Church History (New York: Charles Scibner’s Sons, 1913), div.2, per.1, ch.1, sec.59, g. pp. 284, 285. De oorspronkelijke Latijnse tekst kan men vinden in Codex Justiniani (Codex van Justinianus), lib. 3, titel 12, lex. 3. Philip Schaff geeft in zijn History of the Christian Church zowel de Latijnse tekst als de Engelse vertaling (vol. 3, 3rd period, ch. 7, sec. 75, p. 380, voetnoot 1); ook in James A, Hessey, Bampton Lectures, Sunday, lecture 3, par. 1, 3d ed. (Murray, 1866, p.58). Zie bespreking in Schaff (supra) en in Albert Henry Newman, A Manual of Church History (Philadelphia: The American Baptist Publication Society, ed. 1933), herz. uitg., vol.1, pp. 305-307; en in LeRoy E. Froom, The Prophetic Faith of Our Fathers (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1950), vol.1, pp. 378-381.
4. DE ZONDAGSWETTEN VAN CONSTANTIJN
- De wet die op 7 maart 321 door keizer Constantijn werd uitgevaardigd met het oog op het officieel instellen van een rustdag luidt als volgt:
„Alle rechters, alle stedelingen en alle ambachtslieden moeten op de gedenkwaardige Dag van de Zon rusten. De bewoners van het platteland mogen echter vrij op het land werken omdat het vaak voorkomt dat geen enkele andere dag zó geschikt is om het graan te zaaien of om wijnstokken te planten. Daarom mogen zij de zegeningen van de hemel niet door hun rust verloren laten gaan” -Joseph Cullen Ayer, A Source Book for Ancient Church History (New York: Charles Scibner’s Sons, 1913), div.2, per.1, ch.1, sec.59, g. pp. 284, 285.
De oorspronkelijke Latijnse tekst kan men vinden in Codex Justiniani (Codex van Justinianus), lib. 3, titel 12, lex. 3. Philip Schaff geeft in zijn History of the Christian Church zowel de Latijnse tekst als de Engelse vertaling (vol. 3, 3rd period, ch. 7, sec. 75, p. 380, voetnoot 1); ook in James A, Hessey, Bampton Lectures, Sunday, lecture 3, par. 1, 3d ed. (Murray, 1866, p.58). Zie bespreking in Schaff (supra) en in Albert Henry Newman, A Manual of Church History (Philadelphia: The American Baptist Publication Society, ed. 1933), herz. uitg., vol.1, pp. 305-307; en in LeRoy E. Froom, The Prophetic Faith of Our Fathers (Washington, D.C.: Review and Herald Publishing Association, 1950), vol.1, pp. 378-381.
5. PROFETISCHE TIJDPERKEN - Een belangrijk beginsel bij het verklaren van profetieën met een tijdsaanduiding is ,het jaar-dag principe’: één dag in de profetie betekent één jaar in de geschiedenis. Voordat de Israëlieten het land Kanaän binnengingen, zonden ze twaalf verspieders uit om het land te verkennen. De verspieders bleven veertig dagen weg. Toen de Hebreeën na hun terugkeer het verslag hoorden wilden ze het Beloofde Land niet in bezit nemen. Toen sprak de Here een oordeel over hen uit: „Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende welke gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerechtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar” (Numeri 14:34). Ook de profeet Ezechiël gebruikte deze methode om de profetische tijd te berekenen. Het koninkrijk Juda zou veertig jaar moeten boeten voor zijn ongerechtigheden. De Here zei: „Als gij dit hebt volbracht, zult gij opnieuw gaan liggen, op uw rechterzijde; dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda: veertig dagen; voor elk jaar leg Ik u een dag op” (Ezechiël 4:6). Dit ,jaar-dag principe’ wordt ook gebruikt bij de berekening van de „tweeduizenddriehonderd avonden en morgens” (Daniël 8:14) en de periode van 1260 dagen, die ook wordt aangeduid als „een tijd en tijden en een halve tijd” (Daniël 7:25), de ,,twee en veertig maanden” (Openbaring 11:2; 13:5), de ,,twaalfhonderd zestig dagen” (Openbaring 11:3; 12:6) en de ,,drie en een halve dag” (Openbaring 11:9). Zie verder ook de aantekening onder PROFETISCHE TIJDPERKEN EN TIJDREKENING.
6. VERVALSINGEN - „Onder de documenten die tegenwoordig door iedereen als vervalsingen worden beschouwd, nemen de ,,Donatio Constatini” en de „Pseudo-Isidorische Decretalen” een zeer belangrijke plaats in. ,,Donatio Constantini” is de naam die men al sinds het einde van de Middeleeuwen gebruikt voor een document dat door Constantijn de Grote zou zijn geschreven aan paus Sylvester I en waarvan de oudst bekende versie voorkomt in een Parijs handschrift (Codex lat. 2777), waarschijnlijk uit het begin van de negende eeuw. Het is sinds de elfde eeuw gebruikt als een sterk argument voor de aanspraken van de paus en heeft dan ook sinds de twaalfde eeuw geleid tot een hevige strijd. Dit document heeft ook een grote invloed gehad op de geschiedenis van Europa omdat het de mogelijkheid schept het pausdom te beschouwen als de schakel tussen het Romeinse rijk en het middeleeuwse Roomse Rijk, waardoor het de theoretische basis legt voor de aanvaarding van het Romeinse recht in de Middeleeuwen” - The New Schaff-Herzog Encyclopedia of Religious Knowledge, vol.3, art ,,Donation of Constantine”, pp. 484-485. De belangrijkste bepalingen van de Donatio Constantini luiden: ,,Aan de allerheiligste en gezegende vader der vaderen, Sylvester, bisschop van de stad Rome en paus, en aan alle opvolgers, de kerkvorsten, die op de stoel van de Heilige Petrus zullen zitten, tot aan de tijd van het einde ... maken wij bekend, dat deze Heilige Roomse Kerk met eer bekroond zal worden; en dat, meer nog dan onze keizerlijke macht en onze aardse troon, de allerheiligste stoel van St. Petrus glorierijk verhoogd moet worden doordat wij Constantijn haar de keizerlijke macht, waardigheid, aanzien en eer verlenen ... dat zij dientengevolge de oppermacht zal bezitten over de vier andere belangrijke zetels ... als ook over de kerken van God in de gehele wereld ... dat zij vereerd zal worden met macht en glorie in de gehele wereld, met meer nog dan de waardigheid van een aardse heerser. Zie, wij geven aan de reeds dikwijls genoemde meest gezegende opperpriester, onze vader Sylvester, de paus over de gehele wereld, niet slechts ons paleis, zoals reeds vermeld is, maar ook de stad Rome en al de provincies, plaatsen en steden van Italië en van de westelijke gebiedsdelen; die wij geven bij deze onherroepelijke gift over in de macht en de heerschappij van Sylvester en van zijn opvolgers in het pausdom”. (geciteerd in V. Norskov Olsen, Pausdom en Godsdienstvrijheid, Tekenen des Tijds, Brussel 1974, pp. 44,45). De historische theorie die in de ,,Donatio” wordt uiteengezet, is grondig besproken in Henry E. kardinaal Manning, The Temporal Power of the Vicar of Jesus Christ, Londen, 1862. De argumenten van de Donatio waren scholastisch van inslag en pas bij het ontstaan van de moderne historische kritiek in de vijftiende eeuw is de mogelijkheid geopperd dat het een vervalst document zou kunnen zijn. Nicolaus Cusanus was één van de eersten die tot de conclusie kwam dat Constantijn nooit zo’n schenking had gedaan. De Italiaan Lorenza Valla heeft in 1450 op een schitterende manier bewezen dat het een vervalst document is (zie Christopher B. Coleman, Treatise of Lorenzo Valla on the Donation of Constantine (New York, 1927). Toch geloofden sommigen een eeuw later nog altijd in de authenticiteit van de Donatio en de Decretalen. Luther geloofde aanvankelijk ook dat de decretalen echt waren, maar na enige tijd zei hij aan Eck: ,,Ik aanvaard deze decretalen niet”; en aan Spalatinus (Burckhardt) zei hij: ,,Hij (de paus) ontluistert en kruisigt Christus, dat wil zeggen de waarheid, in zijn decretalen”. Het is bewezen dat de Donatio 1) een vervalst document is, 2) het werk is van één man of van één periode, 3) de vervalser gebruik gemaakt heeft van oudere documenten, 4) de vervalsing gebeurd is tussen 752 en 778. Sinds Baronius, Ecclesiastical Annals, 1592, verdedigen de rooms-katholieke de authenticiteit van dit document niet meer. Voor de beste tekst verwijzen wij naar K. Zeumer, in de Festgabe für Rudolf van Gneist (Berlin, 1888). Het is vertaald in Coleman, Treatise, cfr supra, en in Ernest F. Henderson, Select Historical Documents of the Middle Ages (New York, 1892) p. 319; Briefwechsel (Wiemar e.d.), pp. 141,161. Zie ook The New Schaff-Herzog Encyclopedia of Religious Knowledge (1950), vol. 3, p. 484; F. Gregorovius, Rome in the Middle Ages, vol. 2, p. 329; en Johann Joseph Ignaz von Döllinger, Fables Respecting the Popes of the Middle Ages (Londen, 1871). Naast de Donatio zijn er nog andere vervalsingen. De beruchtste daarvan zijn wel de PseudoIsidorische Decretalen. Deze decretalen zijn gefingeerde brieven die aan de ,,vroege pausen” - van Clemens (100 na Chr.) tot Gregorius de Grote (600) - worden toegeschreven. Ze komen voor in een verzameling van de negende eeuw die afkomstig zou zijn van ,,Isidorus Mercator”. De naam ,,PseudoIsidorische Decretalen” wordt gebruikt sinds de opkomst van de historische kritiek in de vijftiende eeuw. Pseudo-Isidorus heeft voor zijn vervalsingen een verzameling authentieke canons, de Hispana Gallica Augustodunensis, gebruikt om minder makkelijk betrapt te worden, want zulke verzamelingen worden gewoonlijk gemaakt door toevoeging van nieuwe canons aan reeds bestaande. De vervalsingen zouden dus minder opvallen als ze werden opgenomen tussen authentiek materiaal. De vervalsing van de Pseudo-Isidorische Decretalen is nu onbetwistbaar bewezen door intern bewijsmateriaal, bronnenonderzoek, de gebruikte methodes en door het feit dat dit materiaal vóór 852 onbekend was. De historici zijn het erover eens dat de verzameling hoogstwaarschijnlijk omstreeks 850 of 851 voltooid is, daar dit document voor het eerst vermeld wordt in de Admonitio van de capitularia van Quiercy, 857 na Chr. De vervalser is niet bekend. Waarschijnlijk zijn deze vervalsingen ontstaan in de agressieve nieuwe richting in de kerk die begonnen is te Reims (Frankrijk) in de negende eeuw. Men is het erover eens dat bisschop Hincmar van Reims deze Decretalen heeft gebruikt bij de afzetting van Rothad van Soissons, die de Decretalen in 864 naar Rome bracht en ze aan paus Nicolaas I voorlegde. Nicolaus Cusanus (1401-1464), Charles Dumoulin (1500-1566) en George Cassender (1513-1564) hebben de authenticiteit van de Decretalen in twijfel getrokken. Het onweerlegbare bewijs van de vervalsing werd door David Blondel in 1628 geleverd. Een vroegere editie van de decretalen kan men vinden in Migne Patrologia Latina, CXXX. Voor het oudste en beste manuscript, zie P. Hinschius, Decretales Pseudo-Isidorianiae at capitula Angilramni (Leipzig, 1863). Zie ook The New Schaff-Herzog Encyclopedia of Religious Knowledge (1950), vol. 9, pp. 343-345; en H.H. Milman, Latin Christianity (9 vols.); vol. 3; Johann Joseph Ignaz von Döllinger, The Pope and the Council (1869); en Kenneth Scott Latourette, A History of the Expansion of Christianity (1939), vol. 3; The Catholic Encyclopedia, vol.5, art. ,,False Decretals” en Fournier, ,,Etudes sur les Fausses Décrétales” in Revue d’Histoire Ecclésiastique (Leuven), vol.7 (1906) en vol.8 (1907). Het is in dit verband interessant te wijzen op enkele rooms-katholieke commentaren op deze vervalsingen: In zijn werk Le Pouvoir du pape sur les souverains du Moyen Age (Parijn, 1839) schrijft M. (Gosselin), directeur van het Seminarie van St. Sulpice, over de Constantijnse Schenking het volgende: ,,... Men meende dat het wereldlijk gezag van de paus over verschillende Europese staten berustte op de Constantijnse Schenking, dat wil zeggen op een plechtig besluit waardoor deze vorst de stad Rome, Italië en alle westelijke provincies van het Romeinse rijk voor altijd aan de Heilige Stoel had geschonken. Wij geloven dat het overbodig is om deze zogenaamde schenking aan een onderzoek te onderwerpen. Dit document wordt sedert de Renaissance door de moderne critici algemeen als en apocrief stuk beschouwd”. Over de Decretalen schrijft abbé Fleury in zijn Histoire ecclésiastique (vol. IX, b. 45, par.22, pp. 445,446, Brussel, 1721): ,,De verzameling waarin ze voorkomen, draagt de naam van Isidorus Mercator, die een Spanjaard schijnt te zijn geweest. ... Hij zegt helemaal niet waar hij deze documenten heeft gevonden. Denys-lePetit, die tweehonderd jaar daarvoor de decretalen van de pausen had verzameld, kende ze niet. ... Ze hebben trouwens de duidelijk zichtbare kenmerken van een vervalsing. Ze zijn allemaal in dezelfde stijl opgesteld, die meer bij de achtste dan bij de eerste drie eeuwen past: ze zijn langdradig en doorspekt met gemeenplaatsen: bij nader onderzoek is ook gebleken dat ze veel passages van de heilige Leo, en heilige Gregorius en van andere schrijvers die leefden ná de pausen naar wie ze zijn genoemd. Bijna alle tijdsaanduidingen zijn vervalst. ... De Decretalen zijn grof van opzet, maar hebben toch de Latijnse kerk beïnvloed en georiënteerd. Deze valse Decretalen zijn ruim acht eeuwen als authentiek beschouwd. Men heeft het geloof in hun echtheid pas in de vorige eeuw schoorvoetend opgegeven. Vandaag is er wel niemand die nog in hun echtheid gelooft, ook al is men maar oppervlakkig bekend met deze materie”. Dr. Du Pin, die aan de Sorbonne promoveerde, verklaarde in Nouvelle Bibliographie des auteurs ecclésiastiques, p. 215, Utrecht, 1731: ,,Het feit dat de Decretalen die aan de pausen worden toegeschreven vals zijn, is nu zó algemeen bekend dat we er niets meer over hoeven te zeggen” (geciteerd in Gaussen, Le Canon des Ecritures, vol. II, p.169). Naar aanleiding van ,,de vele apocriefe of vervalste documenten" zegt het Dictionnaire de Théologie catholique: ,,In de negentiende eeuw werd de vervalser nog verdedigd door Dumont en abbé Darras, maar tegenwoordig protesteren alle geleerden, zonder onderscheid van land of godsdienst, unaniem tegen het betreurenswaardige succes van deze ergerlijke schurkenstreek” (art. ,,Les fausses Décrétales”), kol. 214 en 221. Letouzey et Ané, ed., Parijs).
7. DICTATUS PAPAE. - ,,Op die manier was het geestelijk oppergezag van de roomse opperpriesters in het Westen volledig. Men gaf hun universele administratieve bevoegdheid door middel van legaten, alsook de hoogste grondwettelijke, gerechtelijke en wetgevende bevoegdheden. Deze bevoegdheden werden reeds ex professo verkondigd in het zogenaamde Dictatus Gregorii VII, waarvan de echtheid wordt betwist, en ze werden in elk geval af en toe opgeëist in de brieven van Gregorius VII en in de verschillende besluiten van zijn pontificaat” (Etienne Chastel, Histoire du Christianisme, vol. III, p.188). Voor de oorspronkelijke Latijnse tekst, zie Baronius, Annales Ecclesiastici, ann. 1076, vol.17, pp. 405,406 van de editie van Parijs, 1869; en de Monumenta Cermaniae Historica Selecta, vol.3, p.17. Voor de engelse vertaling, zie Frederic A. Ogg, Source Book of Medieval History (New York: American Book Co., 1907), ch.16, sec. 45, pp. 262-264; en Oliver J. Thatcher en Edgar H. McNeal, Source Book for Medieval History (New York: Charles Scrbner’s Sons, 1905), sec. 3, item 65, pp. 136-139. Voor een bespreking van de achtergronden van het Dictatus Papae, zie James Bryce, The Holy Roman Empire, rev. ed., ch. 10; en James w. Thompson en Edgar N. Johnson, An Introduction to Medieval Europe, 300-1500, pp. 377-380.
8. HET VAGEVUUR. - Dr. J. Verschueren, S.J., omschrijft ,,het vagevuur” als ,,een reiniging door lijden die de in Gods liefde gestorven zielen voor de nog uit te boeten dagelijkse zonden en straffen ondergaan”, op. cit. Dr. Joseph Faa Di Bruno definieert het als volgt: ,,Het vagevuur is een lijdenstoestand na dit leven, die de zielen enige tijd moeten ondergaan. De bezoedeling, de schuld en de eeuwige pijn van hun doodzonden zijn wel vergeven, maar ze moeten vanwege hun zonden toch nog enige tijd boeten. In die toestand verkeren ook de zielen die deze wereld verlaten en alleen schuldig zijn aan dagelijkse zonden” - Catholic Belief (ed. 1884), imprimatur aartsbisschop van New York, p. 196. Zie ook K.R. Hagenbach, Compendium of the History of Doctrines (T. en T. Clark, ed.) vol. 1, pp. 234- 237, 405, 408; vol. 2, pp. 135-150, 308, 309; Charles Elliot, Delineation of Roman Catholicism, b.2, ch. 12; The Catholic Encyclopedia, vol. 12, art. ,,Purgatory”, James kardinaal Gibbons, The Faith of Our Fathers, in het Nederlands vertaald: ,,Het Geloof onzer vaderen (J.R. van Rossum, Utrecht 1920), pp. 248-264.
9. AFLATEN - Voor een grondige behandeling van de geschiedenis van de leer van de aflaten, zie Mandell Creigton, A History of the Papacy From the Great Schism to the Sack of Rome (London; Longmans, Green and Co., 1911), vol. 5, pp. 56-64; 71; W.H. Kent, ,,Indulgences”, The Catholic Encyclopedia, vol. 7, pp. 783-789; H.C. Lea, A History of Auricular Confession and Indulgences in the Latin Church (Philadelphia: Lea Brothers and Co., 1896); Thomas M. Lindsay, A History of the Reformation (New York: Charles Scribner’s Sons, 1917), vol. 1, pp. 216-227; Albert Henry Newman, A Manual of Church History (Philadelphia: The American Baptist Publication Society, 1953), vol. 2, pp. 53,54,62; Leopold Ranke, History of the Reformation in Germany (2de London ed., 1845, vertaald door Sarah Austin, vol. 1, pp. 331, 335-337, 343-346; Preserved Smith, The Age of the Reformation (New York: Henry Holt and Company, 1920), pp. 23-25, 66. Voor de praktische aspecten van de aflatenleer in de tijd van de Hervorming, zie o.a. dr. Berkhof, Geschiedenis der Kerk, pp. 144-146 en 149-160 (Callenbach, Nijkerk, 1950); dr. W.J. Kooiman, Luther, zijn weg en werk (ten Have, Amsterdam, 1959); een artikel van dr. H.C. Lea, ,,Indulgences in Spain”, in Papers of the American Society of Church History, vol. 1, pp. 129-171. Over de waarde van Spanje’s bijdrage zegt dr. Lea in zijn inleiding: ,,Spanje trok zich helemaal niets aan van de strijd die woedde tussen Luther, Eck en Sylvester Prierias, maar bleef de oude platgetreden paden bewandelen en verschaft ons onbetwistbare officiële documenten, waardoor wij dit onderwerp in het zuivere licht van de geschiedenis kunnen onderzoeken”.
10. DE MIS - Voor de opvattingen van het concilie van Trente over de mis, zie Catechismus van het Concilie van Trente, pp. 259-316 (Dessain, Mechelen, 1935); The Canons and Decrees of the Council of Trent in Philip Schaff, Creeds of Christendom, vol. 2, pp. 126-139, waarin zowel de Latijnse als de Engelse teksten zijn opgenomen. Zie ook H.G. Schroeder, Canons and Decrees of the Council of Trent (St. Louis, Missouri: B. Herder, 1941). Voor de behandeling van de mis, zie brochures 12 en 13, Rondgang door de rooms-katholieke kerk, Una Sancta Cursus, Den Haag; The Catholic Encyclopedia, vol. 5, art. ,,Eucharist” door Joseph Pohle, p. 572 e.v.; Nikolaus Gihr, Holy Sacrifice of the Mass, Dogmatically, Liturgically, Ascetically Explained, 12de dr. (St. Louis, Missouri: B. Herder, 1937); Joseph Andreas Jungmann, The Mass of the Roman Rite, Its Origins and Development, uit het Duits vertaald door Francis A. Brunner (New York: Benziger Bros., 1951). Voor een niet-katholiek standpunt, zie Johannes Calvijn, Institutie en Edward Bouverie Pusey, The Doctrine of the Real Presence (Oxford, England: John H. Parker, 1855). In de tijd van de Hervorming verklaarde dr. Guy Furbity van de Sorbonne, op wie men in 1533 een beroep had gedaan om het evangelie in Genève te bestrijden: ,,Een priester die de hostie en de wijn consacreert, staat hoger dan de heilige Maagd, want zij heeft Christus slechts één maal het leven geschonken, terwijl de priester Hem iedere dag schept, zo dikwijls als hij dat wil. ... O! de priester! ... Men zou hem niet alleen moeten begroeten, maar ook voor hem neerknielen en in aanbidding voor hem neervallen”. Dergelijke beweringen kan men geregeld vinden in rooms-katholieke kranten of in werken die de rooms-katholieke devotie willen bevorderen. In december 1912 stond bijvoorbeeld in de Messager du Très-Saint Sacrament (Montreal, Canada) onder de titel ,,Le Prêtre” (de Priester) een artikel waar wij twee regels ontlenen: Des hommes revêtus de grâce surhumaine Parlent, et Dieu soudain se fait obéissant. (Mannen begiftigd met bovennatuurlijke genade spreken, en God gehoorzaamt onmiddellijk).
[1] Wanneer we spreken over het pausdom dan hebben we het altijd over het systeem van de Rooms-katholieke kerk met haar wetten en tradities. We hebben het niet over de mensen want we zijn ervan overtuigd dat daar vele oprechte godsvruchtige mensen zijn die leven naar alles wat zij van God hebben leren kennen.