top of page

5. De zeventig weken profetie - Daniël 9

Bij de studie van Daniël 8 hebben we de “kleine hoorn” aan de hand van de gegeven kenmerken kunnen identificeren als de macht van Rome zowel in de heidense fase als in die van het Pausdom. Het is vooral de laatste fase, waarin het Pausdom heerst, dat door het visioen wordt beschreven. Het is de fase waarin Gods volk aangeduid als “het leger” wordt vervolgd en waarin het dienstwerk van Christus gedaan op grond van Zijn vergoten bloed en aangeduid als het “steeds” of “dagelijkse” wordt verduisterd. 

Het visoen benoemt het werk van het Pausdom dat het onheilige mengt met het heilige een “gruwel” omdat het een verwoestend effect heeft op het geloofsleven van de mensen.

Terecht wordt in Daniël 8:13 de vraag gesteld: “Hoelang zal het visioen van het steeds terugkerende offer en de verwoestende afvalligheid gelden, en hoelang zal zowel het heiligdom als het leger overgegeven worden om vertrapt te worden?”

Het antwoord op deze vraag wordt gegeven in Daniël 8:14: “Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.”

Dit lijkt op het eerste zicht een ontmoedigend, weinig concreet en raadselachtig antwoord. Doen we echter de moeite om het te begrijpen dan zullen we vaststellen dat het niet beter en vollediger kan zijn.

Het antwoord zet ons in de eerste plaats aan tot het stellen van een aantal voor de hand liggende vragen waarvan de antwoorden ons zullen brengen  tot de ontdekking van levensbelangrijke waarheden.

Het eerste deel van het antwoord verwijst naar een profetische periode van 2300 avonden en morgens. De uitdrukking “avonden en morgens” vinden we terug in Genesis 1:5, 8, 13 en verder. Ze verwijst naar de periode van één dag of 24 uur. Deze 2300 profetische dagen moeten in de context van deze apocalyptische profetie beschouwd worden als 2300 jaar. De juistheid van dit gegeven zal, zoals we verder zullen zien, door de verklaring worden bevestigd. De vraag die we bij deze gegeven tijdsperiode stellen is: waar begint ze? 

Op het einde van de 2300 jaar zal het heiligdom in rechten worden hersteld. Wat is het heiligdom? En wat is de betekenis van het in rechten herstellen van het heiligdom? 

We zullen de zelf-verklarende werking van de Schrift gebruiken om een antwoord op deze vragen te vinden.

 

Ik kan mij voorstellen dat Daniel schrok toen hij het antwoord van de “2300 avonden en morgens” hoorde. Hij en vele anderen die in ballingschap waren zagen uit naar een terugkeer naar het thuisland waarvan de hoofdstad en de tempel verwoest waren. 

Het antwoord leek op het eerste zicht te zeggen dat het nog 2300 profetische dagen - in werkelijkheid 2300 jaar -  zou duren eer de tempel hersteld zou worden. 

God echter is een God van troost en Hij zou dit ook zijn voor Daniël.

De troost zou onder andere komen met de uitleg van de profetie. Maar deze uitleg komt niet meteen. Daniel kent eerste een periode van afwachten, geduld en gebed. Het volk zit in Babylon omwille van hun opstandigheid totdat de beproeving van dit lijden die ze over zichzelf hebben gebracht hen brengt tot het zingen van de woorden: “Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laten wij terugkeren tot de HEERE!

Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen, tot God in de hemel!” Klaagliederen 3:40. 

In Daniel 9 een achttal jaar na het visioen lezen we dat Daniël opmerkt dat God door de profeet Jeremia gezegd had dat de ballingschap na 70 jaar een einde zou nemen. “In het eerste jaar van zijn (Darius) regering, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.” Daniël 9:2. (Zie Jeremia 25:11-12; 29:10).

Beseffende dat de 70 jaar zowat verstreken zijn, brengt Daniël dit gegeven in gebed voor God; een gebed dat begint met een belijdenis. “Maar heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken door niet te luisteren naar Uw stem. Daarom is over ons de vervloeking en de eed uitgegoten die beschreven is in de wet van Mozes, de dienaar van God, want wij hebben tegen Hem gezondigd.” Daniël 9:11. 

De vervloeking die we lezen in Deuteronomium 28:15, 36, was omwille van Israels opstandigheid werkelijkheid geworden in de ballingschap. Sommigen zullen bij het lezen van vervloekingen zeggen dat God een God is die zwaar straft maar God had, na veel geduld en het sturen van vele waarschuwingen door de profeten, het volk overgegeven aan dat waarnaar ze verlangden in hun zonden. Hun zondig leven in opstand tegen Gods wet van liefde had getoond dat ze Babylon, het rijk van Satan, verkozen boven het land van de belofte. Ze woonden in het beloofde land maar hun hart was in Babylon. Daarom gaf God hen uiteindelijk over aan dat waar hun hart naar uitging. 

Terwijl Daniël de zonden van het volk beleed en om vergeving vroeg, had hij, zoals we lezen op het einde van zijn gebed, in de eerste plaats de eer van God voor ogen. “Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen.” Daniël 9:19.

De naam van God, wat men over Hem denkt, hoe Hij is, is verbonden met het gedrag van Zijn volk die Zijn naam belijdt. Dat was toen zo maar ook nu is dat zo. De mensen baseren hun denken over God meestal op wat zij die zeggen in Hem te geloven doen. Daniël is zich daar ten volle van bewust en zijn keuzes worden daardoor bepaalt. Hij streeft ernaar om in alles wat hij doet of zegt de eer van God hoog te houden. Daniël weet dat er een grote strijd bezig is; een strijd tussen God en Satan over de naam van God. In deze grote strijd, waarvan hij deel uitmaakt, staat de rechtvaardiging van Gods liefdevolle karakter boven alles.

 

In antwoord op Daniël’s vurig gebed zendt God de engel Gabriël om Daniël meer inzicht te geven betreffende de betekenis van het vorige visioen. Daniël schrijft: “Terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen (Daniel 8) gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer. Hij begon mij te onderwijzen en sprak met mij. Hij zei: Daniël, nu ben ik eropuit gegaan om u de betekenis (van het visioen in Daniël 8) te doen begrijpen. Bij het begin van uw smeekbeden is er een woord uitgegaan en nu ben ik zelf gekomen om u dat te vertellen, want u bent zeer gewenst. Begrijp dan dit woord en krijg inzicht in het visioen.” Daniël 9:21-23.

Het “visioen” waarover Gabriël spreekt kan enkel verwijzen naar het visioen beschreven in Daniël 8. Dat was het laatste visioen dat Daniël had ontvangen en waar hij meer uitleg over verlangde. We moeten dus wat geschreven staat in Daniël 9 in de context plaatsen van Daniël 8 en de visioenen die eraan vooraf gegaan zijn. Elk visioen is een verdere ontwikkeling en uiteenzetting van het eerste visioen over de verklaring van de droom van Nebukadnezar. Deze visioenen beschrijven telkens de gebeurtenissen in de geschiedenis met betrekking tot Gods volk en de vervulling van het heilsplan vanaf de tijd van de profeet tot aan het herstel van Gods koninkrijk. Daniël 9 is zoals we verder zullen zien een verklaring en een verdere ontwikkeling van een onderdeel van het visioen in Daniël 8.

 

De engel Gabriël had in het verklarende gedeelte van het visioen in Daniël 8 al veel inzicht gegeven over het werk van de kleine hoorn maar had niets gezegd over de 2300 avonden en morgens. We mogen verwachten dat we hier in Daniël 9 daarover meer uitleg krijgen. 

In Daniël 9:24 zegt Gabriël: “Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen….” 

De uitdrukking “bepaald” of soms ook terecht vertaalt met “afgesneden”, duidt erop dat de zeventig weken deel uitmaken van het grotere geheel van de 2300 avonden en morgens. Het is een tijd gegeven aan “uw volk” om “de overtreding te beëindigen”. God had het Joodse volk tot stand gebracht om een licht te zijn in de wereld; om aan de wereld te tonen wat Zijn genade kan verwezenlijken in een volk dat zijn vertrouwen in Hem stelt. Tot nu toe was dit niet gebeurt. Het volk was ondankbaar en ontrouw geweest met de ballingschap tot gevolg. Nu God hen uit de ballingschap zou leiden gaf Hij hen een nieuwe kans om hun roeping waar te maken. Ze waren geroepen om de weg te bereiden voor de Messias die zou komen om door Zijn offer “de ongerechtigheid te verzoenen”. Met het vergieten van Zijn bloed zou Hij het fundament leggen voor Zijn verder werk als Middelaar in het hemelse heiligdom, een werk dat zou leiden tot wat plaatsvindt op het einde van de 2300 avonden en morgens; het herstel van het heiligdom.

Zeventig profetische weken is in werkelijkheid 490 jaar. Dit is een bijzonder getal met een diepere betekenis. Het komt terug in een vraag die Petrus stelt aan Jezus in Mattheüs 18:21-22 “Toen kwam Petrus naar Hem toe en zei: Heere, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus zei tegen hem: Ik zeg u: niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal.” Jezus zegt aan Petrus dat hij bereid moet zijn om zijn broeder 490 maal te vergeven. Dit is zeker geen aansporing om ruimte te geven voor de zonde. Het is een aansporing om ruimte te geven voor het leren kennen van Gods liefde en de daaraan verbonden afkeer van de zonde en te beproeven de genade van God die ons overwinning geeft over de zonde.

De koningen en de volkeren in de profetie kregen een tijd van genade. Vervulden ze het doel dat God met hen had dan werden ze bevestigd. 

Deden ze wat goed was in hun eigen ogen dan maakte God een einde aan hun bestaan wanneer de maat vol was. De geschiedenis van koning Belsazar die we terugvinden in Daniël 5 is daar een goed voorbeeld van. In het licht van het getuigenis van Nebukadnezar openbaarde Belsazar een uitdagende goddeloosheid die een einde maakte aan zijn bestuur. Hij werd gewogen en te licht bevonden zoals het schrift op de wand bevestigde (Daniël 5:22-31).

Zo krijgen wij allemaal een tijd van genade opdat daarin Gods doel met ons wordt bereikt. Het is de tijd waarin Hij ons wil verlossen van alle kwaad en zijn liefde in ons herstellen. Bereiken wij met Hem dit doel dan krijgen we eeuwig leven. Verwerpen we Zijn genade dan betekent dit het einde van ons bestaan.

Daniël 9:24 somt op waarvoor de zeventig weken zijn gegeven. In de eerste plaats is dat “om de overtreding te beëindigen”. De 490 jaar van genade voor het volk is gegeven om een einde te maken aan hun overtreding van Gods wet. 

De 490 jaar zijn er ook “om de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen.” Dit is een verwijzing naar het werk van de Messias die op grond van Zijn offer verzoening zou brengen. Op grond van Zijn vergoten bloed wordt Gods heilsplan verder tot vervulling gebracht in de verzegeling van “visioen en profeet”. De visioenen en profetieën van Daniël eindigen allemaal met het herstel van Gods eeuwig koninkrijk. Dit kan enkel tot stand komen door het werk van Christus als Middelaar in het hemelse heiligdom dat Hij met het bloed van Zijn offer heeft ingewijd zoals gezegd wordt in Hebreeën 10:19-20 “Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees.” Dit is het laatste gegeven van de 490 jaar “om de Heiligheid van heiligheden te zalven”. De “heiligheid van heiligheden” is een verwijzing naar het hemelse heiligdom waar Christus na Zijn hemelvaart is binnen gegaan en waarvan Hij de werking heeft ingewijd of gezalfd met Zijn bloed. Zoals we zullen zien in een volgende lezing is het dit hemelse heiligdom dat in rechten zal hersteld worden op het einde van de 2300 avonden en morgens.

 

Terwijl alles wat in Daniël 24 voorspeld werd betreffende het werk van de Messias in vervulling is gegaan, is het volk er niet toe gekomen “om de overtreding te beëindigen”. Hun genadetijd hebben ze tevergeefs ontvangen en God heeft hen niet als volk kunnen bestendigen.

Jezus voorspellingen betreffende de toekomst van het Joodse volk waren helemaal in lijn met dit gegeven. Hij zegt in Mattheüs 23:37-38  “Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild! Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.” En verder in Mattheüs 21:43 “Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.”

Wat we zien gebeuren met de volkeren die de hun gegeven tijd van genade niet goed gebruiken zien we ook gebeuren met het Joodse volk: het koninkrijk van God wordt van hen weggenomen en aan een ander volk gegeven. Ze zijn gewogen en te licht bevonden.

 

Vervolgens maakt Gabriël bekend wanneer de 70 weken beginnen en daarmee komen we ook te weten wat het beginpunt is van de 2300 jaar.

Gabriël zegt in Daniël 9:25 “U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.”

 

Wanneer Gabriël dit aan Daniël zegt, bevindt Gods volk zich in ballingschap. De 70 weken beginnen, zegt de tekst, wanneer er een bevel wordt gegeven om terug te keren uit de ballingschap en om Jeruzalem te herbouwen. We moeten dus zoeken naar een moment in de geschiedenis op het eind van de ballingschap waar iemand een bevel geeft om terug te keren uit ballingschap en Jeruzalem te herbouwen. De datum waarop dit bevel wordt gegeven is dan het begin van de 70 weken. 

De tekst zegt verder dat er zeven weken zijn om te herbouwen en daarna nog 62 weken tot aan de Messias. Dit betekent dat 69 weken na het bevel om terug te keren en te herbouwen Jezus zou gezalfd worden tot Messias. De zeventig weken profetie voorspelt dus het precieze jaar van de komst van de Messias.

 

Het tot stand komen van het bevel om terug te keren en Jeruzalem te herbouwen, bestaat uit drie fasen. Het is pas in de laatste fase dat we het volledige bevel terugvinden.

De eerste fase van het bevel vinden we in Ezra 1:1 “In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië. Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem woont.”

Koning Kores, koning van de Perzen, vervult de profetie van Jeremia die zegt dat het volk na 70 jaar uit ballingschap zal terugkeren. Deze koning staat de Joden toe terug te keren naar hun land maar enkel om de tempel te herbouwen, niet de stad Jeruzalem.

Na Kores kwam koning Darius. Tijdens zijn regering was het bevel van Kores wat in de vergetelheid geraakt en sommigen die vijandig stonden tegenover het Joodse volk probeerden de werken aan de tempel te verhinderen. Ze schreven brieven aan koning Darius waarin ze de Joden in een zeer kwaad daglicht stelden. Gelukkig werden de bevelen van de heersers zorgvuldig bewaard en na wat zoekwerk kon men het bevel van Kores van onder het stof halen en aan Darius laten zien. Daarop gaf deze het bevel de bouw van de tempel verder te zetten zodat het ook voltooid werd zoals we lezen in Ezra 6:15 “En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar; het was het zesde regeringsjaar van koning Darius.”

Na Darius regeerde koning Arthahasta (Ahasveros)1 Longimanus. Tijdens zijn regering was er terug een poging om het de Joden die waren teruggekeerd naar Jeruzalem lastig te maken. Sommigen van hun vijanden schreven een brief naar de koning waarin ze beweerden dat de Joden de muren van Jeruzalem herbouwden. Dit gegeven wordt vermeld in Ezra 4:6, 12

“Tijdens het koningschap van Ahasveros, in het begin van zijn koningschap, schreven zij een aanklacht tegen de bewoners van Juda en Jeruzalem… Laat het de koning bekend zijn dat de Joden die van u zijn weggetrokken, bij ons in Jeruzalem zijn gekomen en die opstandige en slechte stad weer aan het opbouwen zijn. Zij voltooien de muren en herstellen de fundamenten.”

Nadat de koning kennis had genomen van de inhoud van de brief nam hij het besluit beschreven in Ezra 4:21 “Welnu, geef bevel deze mannen op te laten houden, zodat die stad niet herbouwd wordt, totdat door mij daartoe het bevel wordt gegeven.”

Het lijkt hier alsof de koning het bevel voor de herbouw van de stad reeds in het achterhoofd heeft maar dat hij zich wil houden aan de regels door eerst onderzoek te doen naar de feiten. Dit onderzoek leidde naar de vaststelling dat de beweringen, betreffende het bouwen van de muur, vals waren. Uit het verslag dat we lezen in Ezra 7 blijkt dat koning Ahasveros uiteindelijk het bevel gaf tot terugkeer en de heropbouw van Jeruzalem. Dit is het bevel dat ons in staat moet stellen het begin van de 70 weken of de 2300 avonden en morgens te vinden.

Om dit bevel uit te voeren stuurt de koning Ezra naar Jeruzalem. De Schrift zegt wanneer precies dit gebeurt. “Ezra kwam in Jeruzalem in de vijfde maand, dat was het zevende jaar van de koning.” Ezra 7:8. De vijfde maand in het zevende jaar van Ahasveros is volgens de geschiedkundige kronieken het jaar 457 voor Christus.

Uit de beschrijving van het bevel dat Ezra geeft, blijkt duidelijk dat het een bevel is voor het volledig herstel van de stad Jeruzalem. “deze Ezra trok op uit Babel. Hij was een vaardig schriftgeleerde, bedreven in de wet van Mozes, die de HEERE, de God van Israël, gegeven heeft. En de koning gaf hem alles wat hij had verzocht, omdat de hand van de HEERE, zijn God, over hem was. Ook sommigen van de Israëlieten en van de priesters, de Levieten, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren trokken in het zevende jaar van koning Arthahsasta op naar Jeruzalem…Ezra had namelijk zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen…Door mij wordt bevel gegeven dat iedereen in mijn koninkrijk van het volk Israël, ook priesters en Levieten, die vrijwillig naar Jeruzalem wenst te gaan, met u mee mag gaan…En u, Ezra, overeenkomstig de wijsheid van uw God, die u gegeven is, stel rechters en gerechtsdienaren aan, die over het hele volk aan de overzijde van de Eufraat recht moeten spreken, over allen die de wetten van uw God kennen. En aan wie ze niet kent, moet u ze bekendmaken.” Ezra 7:6-25.

De koning gaf Ezra alles wat deze van hem had verzocht om de werken aan de herbouw te kunnen verrichten en alles terug in werking te stellen. Daaronder waren poortwachters. Poortwachters zijn nodig om de poorten in de muur van de stad te bewaken. We kunnen er dus vanuit gaan dat de koning de heropbouw van de volledige muur met zijn poorten had bevolen. De koning beval ook om rechters en gerechtsdienaren aan te stellen wat er op wijst dat het de bedoeling was een eigen bestuur van de stad op te richten. Het verslag vermeldt ook dat iedereen kon terugkeren. Er was dus een totale opheffing van de ballingschap waarmee een begin kon gemaakt worden aan de nieuwe kans die Israël kreeg om haar bestemming te vervullen.

 

Niet alles liep van een leien dakje. In het 20ste  jaar van Ahasveros maakte Nehemia, dienaar van de koning, hem duidelijk dat de werken voor de heropbouw niet vorderden. Ahasveros gaf Nehemia alle bevoegdheden en middelen om de bouw verder te zetten en af te maken. Dit alles berust op het bevel dat eerder was gegeven in 457 v. C.. Het kan niet als een nieuw bevel worden beschouwd. Het is enkel een voorziening om het reeds bestaand bevel helemaal ten uitvoer te brengen.

Nehemia 6:15 vermeldt: “De muur werd op de vijfentwintigste van de maand Elul voltooid, na tweeënvijftig dagen.”

 

De totale heropbouw van Jeruzalem duurde 49 jaar of zeven weken. Dit zijn de eerste zeven weken aangeduid in de profetie waarover gezegd wordt:

“Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden.“ Daniël 9:25.

Foto 13-03-2026 om 11.13.jpeg

De vervulling van de 7 weken brengt ons naar het jaar 408 voor Christus.

De volgende periode, de 62 weken of 434 jaar, brengt ons volgens Daniël 9:25 naar de zalving van de Messias. “U moet weten en begrijpen:vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken.”

 

De doop van Jezus, door Johannes de Doper, wordt beschouwd als de zalving van de Messias. Jezus spreekt over deze zalving in Lukas 4:18 

“De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen wie gebroken van hart zijn”

 

Een ander gegeven in de Schrift bevestigt de juistheid van de profetie en de aanduiding van het jaar 27 als het begin van Jezus werk als Messias. We vinden het in Lucas 3:1 “In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, Herodes viervorst over Galilea, zijn broer Filippus viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene.” Dat het vijftiende jaar van keizer Tiberius plaatsvindt in 27 AD wordt overtuigend  uiteengezet en onderbouwd in dit artikel. 

 

Jezus kende de profetie van Daniël negen en Hij verwees ernaar wanneer Hij zei in Markus 1:15 “De tijd (69 weken) is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bekeer u en geloof het Evangelie.” De enige tijd waar Jezus hier naar kan verwijzen is de profetische tijd die het begin van Zijn dienstwerk aangeeft.

 

Het is wonderlijk hoe exact de profetie van de zeventig weken is en hoe ze het ultieme bewijs levert dat de gegeven tijdsperioden begrepen moeten worden als zijnde een werkelijk jaar voor een profetische dag. 

 

BIj de zalving van Jezus als Messias zijn we bijna gekomen aan het eind van de 70 weken of 490 jaar. Nog zeven jaar van genadetijd blijven over. Daniël 9:26 zegt ons wat daarin en daarna gebeuren zal: “Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is.” 

 

In de laatste zeven jaar van genade heeft Gods volk het voorrecht om te leven met het vleesgeworden Woord in wie de Vader te zien is. Hun oren horen de woorden van eeuwig leven uit de mond van Hem die sprak en het was er. Hun ogen zien de kracht van het verlossende woord in de genezing van zieken, de verrijzenis van doden en de vrijlating van hen die door de zonde waren gebonden. Maar de meesten zijn horende doof en ziende blind. In hun trots verwerpen zij Hem die zachtmoedig is en nederig van hart. God zal hen nog een laatste kans geven in het aanschouwen van het offer en de opstanding van Zijn Zoon; in de vervulling van de eeuwenoude profetieën betreffende de Messias die de straf voor de zonde op Zich zou nemen en de dood zou overwinnen. Daniël 9:27 zegt: “Hij (Christus) zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.”

Jezus vergoot Zijn bloed tot redding van velen nadat Hij 3 1/2 jaar, de helft van zeven, de mensheid had gediend. Hij begon Zijn werk als Messias in de herfst van het jaar 27 aan het begin van het Joodse jaar en stierf als het Lam dat de zonden der wereld wegneemt op het Pascha feest in de lente van het jaar 31. Alles waarnaar de tempel en de daaraan verbonden ceremonieën verwezen was in Hem werkelijkheid geworden. Daarom zegt de tekst: “Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.” Dat de tempel verder geen nut meer zou hebben werd bevestigd door het feit dat  het voorhangsel scheurde toen Jezus de geest gaf. “Jezus riep nogmaals met luide stem en gaf de geest. En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beefde en de rotsen scheurden.” Mattheüs 27:50, 51.

Het voorhangsel van de tempel stond symbool voor Christus die de deur is tot de troon van genade (Joh. 10:9; Joh. 14:6; Ef. 2:18). Door Zijn bloed is voor iedereen de weg daartoe geopend zoals Paulus duidelijk zegt in Hebreeën 10:19 “Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.”

 

De ceremonieën en wetten die betrekking hadden op de tempel waren een onderdeel van de wet van Mozes. God had ze ingesteld als een illustratie van het werk van de verlossing in Christus. Ze waren een schaduw van de werkelijkheid in Christus (Hebr. 10:1; Kol 2:17). Deze ceremoniën en wetten werden door het offer van Christus ten einde gebracht. Daarom moeten we ons vandaag niet meer laten besnijden en moeten we geen offers brengen als getuigenis van ons geloof in de Verlosser.

 

Na de kruisdood blijven er nog drie en een half jaar van genade over. De opstanding vindt plaats en Jezus toont zich aan vele van Zijn discipelen. Paulus schrijft dat meer dan 500 volgelingen Hem in levende lijve hebben gezien en gehoord (1 Kor. 15:5-8).

Deze allen die getuige zijn geweest van de opstanding, brengen met grote blijdschap en kracht de boodschap van hun opgestane Heer. In vele opzichten is het getuigenis van Jezus Messias groter na zijn opstanding dan voor Zijn kruisdood.  

Opnieuw echter worden deze getuigenissen door het overgrote deel van het Joodse volk verworpen. In het jaar 34 wordt Stephanus na een krachtige getuigenis door de Joodse raad gestenigd (zie Handelingen 7). Hiermee eindigen de 70 weken van genade. Wat kan God nog meer doen voor dit volk? Hij laat hen over aan de weg die ze hebben gekozen. Het laatste vers van Daniël 9 geeft weer wat dan gebeurt. “Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.” Daniël 9:26.

Jezus verwees naar deze tekst toen hij Zijn discipelen waarschuwde met het oog op de vernietiging van Jeruzalem. “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Mattheüs 24:15, 16.

Lucas is nog specifieker wanneer hij de woorden van Jezus laat weerklinken: “Toen zei Hij tegen hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk…Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.” Lukas 21:10, 20-22.

 

In het jaar 70 werd de tempel en de stad Jeruzalem helemaal verwoest door de Romeinse legers. Voorafgaande aan de verwoesting was er een korte terugtrekking van de legers. In die periode verlieten allen die de waarschuwing van Jezus ter harte hadden genomen Jeruzalem.

​

De 490 jaar eindigen in 34 AD. Er blijven nog 1810 van de 2300 jaar over. 

Wanneer we 1810 bij 34 optellen, komen we in het jaar 1844. Volgens de profetie in Daniël 8:14 zou dan het heiligdom, dat Jezus is binnengegaan en ingewijd heeft met Zijn bloed, in rechten staat hersteld worden. Dit gebeuren is het onderwerp van de volgende lezing.

bottom of page