top of page

Licht in de duisternis

Velen van ons hebben als kind geleerd dat een kachel werkelijk schroeiend heet kan zijn door er onze hand op te leggen. De waarheid dat men zich aan een kachel kan verbranden, is duidelijk geworden door een pijnlijke ervaring. God zegt op Hem te vertrouwen en niet op mensen. Dat dit waarheid is, leren velen door diep teleurgesteld te worden in mensen op wie ze vertrouwden. 
Tradities en algemene opvattingen kunnen ons verhinderen de waarheid te kennen tenzij een diepe teleurstelling of een bittere ervaring ons de ogen opent. Hopelijk is het dan niet te laat om ons in de waarheid te verheugen.
In deze tijd waarin we leven heerst de opvatting dat elke cultuur en elk geloof evenwaardig is. Deze opvatting verhindert een diepe waardering te hebben voor wat Jezus Christus voor ons heeft gedaan en zal doen. Ze plaatst de Bijbel in een bibliotheek met filosofische en theologische werken. Zal deze opvatting niet leiden tot een bittere ervaring wanneer Hij wederkomt? Maar zal het dan niet te laat zijn?

Bijbellezing

Van teleurstelling tot inzicht

Het onderzoek van de zeventig jaren profetie uit Daniël 9, bracht William Miller tot het inzicht dat de langste tijdsprofetie van de tweeduizend driehonderd avonden en morgens (Daniël 8:14) begon in 457 v. C. toen door koning Artaxerxes het bevel werd gegeven om Jeruzalem te herstellen. (Ezra 7:12-26. Zie ook "
De grootste tijdsprofetie"). Het einde van de tweeduizend driehonderd avonden en morgens kon eenvoudig berekend worden door er 2300 jaar bij op te tellen. We komen zo in het jaar 1844. Verwacht werd dat Jezus dan zou terugkomen. Maar Jezus kwam niet terug. Dat was een grote teleurstelling. Was dat een reden om de Bijbel aan de kant te schuiven of om te beweren dat profetieën niet begrepen kunnen worden? Helemaal niet, de Bijbel zegt dat ze een openbaring is van wat God weet en vindt dat wij ook moeten weten (zie Openbaring 1:1-3). Het is geen gesloten boek. De Bijbel leert dat wie zoekt die vindt (Mattheüs 7:8). Zo deden ook de gelovigen die teleurgesteld waren en dat zullen ook wij in deze Bijbellezing doen.

 

Wat zei Jezus toen Hij in Galilea het evangelie van het Koninkrijk van God begon te prediken?

  • Markus 1:15 “De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bekeer u en geloof het evangelie.”

 

Welke tijd was vervuld? Was er een tijdsbepaling uit de profetie die tot zijn einde was gekomen?
Zeker! De tijdsperiode aangegeven in de profetie van de zeventig weken. 

​

Wat zei de profetie betreffende de Messias?

  • Daniël 9:25 “Tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken.”

 

De 69 weken (een dag voor een jaar geeft 483 jaar) uit de profetie waren verstreken. Ze begonnen in 457 v. C. en eindigden in 27 n. C. het jaar waarin de Messias Zijn werk begon. (Zie lezing over "De 2300 avonden en morgens en de 70 weken".)

​

Welke gedachten leefden bij de discipelen en hun aanverwanten?

  • Mattheüs 20:20, 21 “Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij knielde voor Hem neer om Hem iets te vragen. Hij zei tegen haar: Wat wilt u? Zij zei tegen Hem: Zeg dat deze twee zonen van mij mogen zitten, de één aan Uw rechter – en de ander aan uw linkerhand in Uw koninkrijk?

 

Deze vraag wijst erop dat de discipelen van mening waren dat Jezus een aards koninkrijk zou oprichten waarvan zij deel zouden uitmaken en hopelijk daarin een hoge positie bekleden.

​

Waarom vertelde Jezus bij het naderen van Jeruzalem een bepaalde gelijkenis?

  • Lukas 19:11 “Terwijl zij nu dit alles hoorden, sprak Hij een gelijkenis uit, die Hij eraan toevoegde omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken.”

 

De idee dat Jezus ‘onmiddellijk’ een aards koninkrijk zou stichten en de natie Israël zou verheffen boven alle naties, was erg vastgeroest in de gedachten van de discipelen en al het andere volk.

​

Welke invloed had dat op het begrijpen van Jezus woorden?

  • Lukas 18:31-34 “En Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden…zij zullen Hem doden, nadat zij Hem gegeseld hebben en op de derde dag zal Hij weer opstaan. Zij begrepen echter niets van deze dingen en dit woord was voor hen verborgen en zij begrepen niet wat er gezegd werd.”

 

De discipelen kenden de profetie van de zeventig weken. Ze wisten dat de tijd voor de Messias was aangebroken. De tijdsbepaling hadden ze begrepen maar welk deel van de profetie hadden ze niet begrepen omwille van de algemeen geldende opvatting dat de Messias onmiddellijk een koninkrijk zou oprichten?

  • Daniël 9:26-27 “Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden…De stad en het heiligdom zal ten gronde worden gericht…Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.”

 

De profetie voorspelde ook de dood van de Messias en de vernietiging van Jeruzalem en het heiligdom. De dood van Jezus sloeg hun verwachtingen van een aards koninkrijk aan diggelen. De teleurstelling bij de discipelen was groot. Ze wordt weergegeven in de woorden van de Emmaüsgangers.

​

Wat zeiden de Emmaüsgangers over hun hoop op de Messias?

  • Lukas 24:21 “En wij hoopten dat Hij het was Die Israël zou verlossen.”


Jezus ontmoette de Emmaüsgangers tijdens hun droevig gesprek. Wat deed Hij voor hen?

  • Lucas 24:27 “En Hij begon bij Mozes en al de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften over Hem geschreven was.”

 

Bij een teleurstelling betreffende bepaalde verwachtingen die we koesteren vanuit ons begrip van Gods woord is het raadzaam het woord met vernieuwde aandacht en biddend te onderzoeken. 

William Miller  en allen die de boodschap van de wederkomst hadden aangenomen waren diep teleurgesteld toen hun verwachtingen niet werden ingelost. Wat konden ze doen? Ze deden wat Jezus had geleerd aan de Emmaüsgangers en zijn discipelen na de opstanding; de Bijbel openen om te zien wat ze niet goed hadden begrepen.

Welke tekst in de Bijbel had Miller tot de overtuiging gebracht dat Jezus spoedig zou wederkomen?

  • Daniël 8:14 “Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.”

 

William Miller had zich gefocust op de tijdsberekening. Hij had zich niet bepaald bij de betekenis van de woorden “dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.” Hij volgde de algemene opvatting dat het heiligdom verwees naar de aarde. Was die opvatting wel juist? Wat zegt de Bijbel daarover?

​

Welke opdracht moest Mozes vanwege God aan de Israëlieten geven?

  • Exodus 25:8-9 “Zij moeten Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen. Volgens alles wat Ik u zal tonen.”

 

Mozes kreeg de opdracht van God een heiligdom of tempel te bouwen naar het model dat God hem op de berg had getoond. Deze tempel had als bedoeling dat God in het midden van Zijn volk zou kunnen wonen. Hierin ligt een diepe betekenis die we zullen proberen te verduidelijken.

​

Wat zegt de Psalmist over dit heiligdom?

  • Psalm 77:14 “O God, Uw weg is in het heiligdom.”

 

  • Psalm 27:4 “Eén ding heb ik van de Heere verlang, dat zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heere, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heere te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.” 

 

De Psalmist zegt dat Gods weg in het heiligdom is. Wie noemt Zichzelf de Weg?

  • Johannes 14:6 “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

 

Jezus zegt van Zichzelf dat Hij de weg is. In Zijn leven en Zijn woord zien wij de weg die God voor ons heeft. Deze weg wordt ook duidelijk gemaakt door het heiligdom. Het heiligdom is het verlossingsplan in symbolen. De offers verwijzen naar het offer van Christus, het werk van de priesters en de hogepriester verwijzen naar het werk van Christus als Middelaar.  Elk attribuut van het heiligdom verwijst naar een aspect van Gods verzoeningswerk. 

​

Gods weg en Zijn wil voor ons wordt geopenbaard in het leven en woord van Jezus maar ook in en door het heiligdom. Wat zal God doen wanneer wij Zijn weg volgen?
Johannes 14:23 “Jezus zei: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.”

Door het heiligdom wilde God aan de mensen leren hoe de persoonlijke relatie met Hem, die door de zonde was verbroken, terug hersteld kon worden door vergeving en verzoening. De weg in het heiligdom openbaarde hoe God terug kon woning maken in het hart van de mens en daarin de wet van Zijn liefde schrijven. 

​

Het heiligdom is dus niet, zoals Miller en zijn tijdgenoten dachten, de aarde maar de tempel die God door Mozes liet bouwen en die een beeld is van de hemelse dingen. (Hebreeën 8:1-5).

​

Daniël 8:14 spreekt over het in rechten herstellen of het reinigen van het heiligdom.

Het woord dat in het Hebreeuws gebruikt wordt voor ‘herstellen’ is "tsâdaq". Dit woord heeft ook de betekenis van ‘reinigen’. Het herstel van het heiligdom heeft te maken met iets dat het heiligdom heeft verontreinigd. Wat was dat?

Wat moest de Israëliet die tegen God gezondigd had, doen?

  • Leviticus 4:27-29 “Als één persoon uit de bevolking van het land zonder opzet gezondigd heeft omdat hij iets gedaan heeft tegen een van de geboden van de Heere, iets wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig geworden is…dan moet hij zijn offergave brengen…dan moet hij zijn hand op de kop van het zondeoffer leggen, en moet dat zondoffer slachten op de plaats van het brandoffer.”

 

Wat werd er gedaan met het bloed van het offer?

  • Leviticus 4:30 “Vervolgens moet de priester met zijn vinger een deel van haar bloed nemen en het op de horens strijken van het brandofferaltaar. En al haar overige bloed moet hij aan de voet van het altaar uitgieten.”

 

We zien dat het heiligdom werd verontreinigd met het bloed van het offer dat gebracht werd voor de vergeving van de zonde. 
We moeten steeds in gedachten houden dat al deze handelingen binnen het heiligdom verwijzen naar het verlossingswerk van Jezus die onze zonden heeft gedragen en vervolgens voor ons pleit op grond van het bloed voor ons vergoten. Het offer stelt de Christus voor. Het heiligdom stelt het werk van God voor dat Hij in ons wilt doen zodat Hij woning kan maken in ons hart. Het heiligdom en zijn rituelen zijn ook een onderwijzing van wat de Schrift zegt in 1 Korintiërs 6:19 “Weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen.” . 

​

Iedereen die gezondigd heeft, weet dat ook na de vergeving van de zonde de gevolgen ervan blijven. Elke zonde laat een litteken na in ons hart en we hebben steeds Gods genade nodig om niet terug in de zonde te hervallen. We zijn als het ware door de zonde verontreinigd en deze smet verdwijnt niet nadat we vergeven zijn. Er blijft dus nog een werk van herstel nodig; een werk van volkomen reiniging dat moet gebeuren voor we het koninkrijk van God kunnen binnengaan.

Dit werk van herstel en reiniging wordt in beeld gebracht in wat zich afspeelde in het heiligdom op de tiende dag van de zevende maand van het Joodse jaar.

​

Want vond er plaats rond en in het heiligdom op de tiende dag van de zevende maand?

  • Leviticus 16:29-30 “u moet in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene (de Israëliet) niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin. Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de Here gereinigd.”

 

We moeten in gedachten houden dat deze woorden gesproken werden tot hen die reeds vergeving voor hun zonden hadden ontvangen. Vergeving van de zonde is niet hetzelfde als de gehele reiniging of uitwissing van de zonde. Deze bijzondere dienst van het heiligdom leert dar er ook een uitwissing is van de zonde die een volledig herstel van de mens met zich meebrengt; een herstel in de staat die hij had voor de zondeval. Alles wat ooit besmet werd met de zonde moet ofwel gereinigd ofwel vernietigd worden.

 

Hoe werd het heiligdom gereinigd en wat gebeurde met de smet van de zonde die door het bloed van het offer op het heiligdom werd gebracht? 
Waarvoor nam de hogepriester twee bokken?

  • Leviticus 16:5-8 “Van de gemeenschap van de Israëlieten moet hij (de hogepriester)twee geitenbokken nemen als zondoffer en één ram als brandoffer….​
    Hij moet ook de beide bokken nemen en die voor het aangezicht van de HEERE plaatsen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Aäron moet namelijk het lot over de twee bokken werpen: één lot voor de HEERE en één lot voor de weggaande bok.”

 

“De weggaande bok,” wordt in sommige vertalingen aangeduid als de ‘zondebok’ in het Hebreeuws Azazel. Azazel verwijst naar Satan bij wie de oorsprong is van de zonde.

Wat werd er gedaan met het bloed van de bok waarop het lot voor de Heere was gevallen?

  • Leviticus 16:15 “Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen.”

 

Wat was de betekenis van het sprenkelen van dit bloed?

  • Leviticus 16:16 “Zo moet hij over het heiligdom verzoening doen vanwege de onreinheden van de Israëlieten en vanwege hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Zo moet hij ook doen met de tent van ontmoeting, die bij hen staat, te midden van hun onreinheden.”


De zondaar verkreeg na het brengen van het offer voor de zonde vergeving. Het bloed van het offer verontreinigde het heiligdom. Dit duidt erop dat de zonde was vergeven maar niet uitgewist. De uitwissing van de zonde gebeurde op de Grote Verzoendag. 

Wat gebeurde er met de ‘zondebok’ Azazel?

  • Leviticus 16:20-21 “Wanneer hij de verzoening over het heiligdom, de tent van ontmoeting en het altaar voltooid heeft, dan moet hij de levende bok naderbij laten komen.
    Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen.”


Wat betekent het sturen in de woestijn?

  • Leviticus 16:22 “Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.”

 

Deze ceremonie is een beeld van de totale verwijdering en vernietiging van de zonde. Ze verwijst naar de hemelse rechtszitting die wordt afgesloten met de vernietiging van alles wat zondig is en waar Gods kinderen de erfenis van het koninkrijk Gods zullen ontvangen.
De ‘zondebok’ draagt niet de zonde zoals Christus ze heeft gedragen. Deze bok is geen plaatsvervangend offer zoals Christus was die in onze plaats de straf voor de zonde onderging. 
De ‘zondebok’ wordt niet geofferd, zijn bloed vloeit niet. 


Van wat was de dienst in het aardse heiligdom een afbeelding en een schaduw?

  • Hebreeën 8:5 “Deze priesters doen dienst in een afbeelding en schaduw van de hemelse dingen”


Wat wordt er in verband daarmee van Christus gezegd?

  • Hebreeën 8:1-2 “Zo'n Hogepriester hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij is een Dienaar in het heiligdom en in de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht en niet een mens.”

 

Bovenstaande teksten maken ons duidelijk dat het werk van de priesters en de hogepriester op de tiende dag van de zevende maand een beeld waren van wat Christus in werkelijkheid zal doen in het hemelse heiligdom als afsluiting van het verlossingswerk.
De reiniging of het herstel van het heiligdom door de complete verzoening en de uitwissing van de zonde is het laatste werk van Christus om een volk voor te bereiden op Zijn wederkomst.

Wanneer is volgens de profetie dit werk begonnen?

  • Daniël 8:14 “Tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens. Dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.”

 

We hebben al gezien waar deze tijdsperiode begon en waar ze eindigde. Ze begon in 457 v. C. met het bevel om Jeruzalem te herbouwen en ze eindigde tweeduizend driehonderd jaar later in 1844. 
Het is ons nu ook duidelijk dat het herstel van het heiligdom geen betrekking heeft op het herstel van de aarde bij de wederkomst maar op de laatste fase van het werk van Christus als Hogepriester. Dit werk zoals we verder zullen zien bevat een onderzoekend oordeel of rechtszitting die leidt tot de uitwissing van de zonden en de bevestiging van de naam van de gelovigen die hebben volhard in het boek des levens. Zij die overwonnen hebben door het geloof en volledig rusten in God zullen de volkomen verzoening en  uitwissing van de zonde ervaren. De Satan en de zonde hebben geen vat meer op hen. Zij zullen bij de wederkomst met onvergankelijkheid bekleed worden en opgenomen worden in het koninkrijk van God.

Welke vermaning geeft de Schrift aan ons die in deze bijzondere tijd leven? 

  • Handelingen 3:19-21 “Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere,
    en Hij Jezus Christus zal zenden, Die tevoren aan u verkondigd is.
    Hem moet de hemel ontvangen tot de tijden waarin alle dingen worden hersteld, waarover God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten door de eeuwen heen.”

 

Licht in de duisternis

De belangrijke hervormingen en godsdienstige bewegingen die Gods werk in de loop der eeuwen hebben bevorderd, vertonen een aantal opvallende gemeenschappelijke kenmerken. De beginselen van Gods handelen met de mens blijven altijd dezelfde. Er zijn in de ge­schiedenis parallellen te vinden voor de belangrijke bewegingen van tegenwoordig en de ervaringen van de gemeente in het verleden zijn ook voor onze tijd van grote betekenis.

De Bijbel leert heel duidelijk dat God de leiders van de grote bewe­gingen die het verlossingswerk op aarde moeten voortzetten op een heel bijzondere wijze door zijn Geest leidt. Mensen zijn slechts in­strumenten in Gods handen. God gebruikt ons om zijn genade aan an­deren mee te delen. Iedereen krijgt een taak en elk mens krijgt een hoeveelheid licht die afgestemd is op de behoeften van zijn tijd en het werk dat God hem heeft toevertrouwd. Maar hoe groot Gods gaven aan iemand ook zijn, nooit zal hij het verlossingsplan volledig begrij­pen of Gods bedoelingen met het werk in zijn tijd helemaal inzien. De mensen weten niet alles van het werk dat ze van God krijgen. Ze zien de volledige draagwijdte van de boodschap die ze namens Hem ver­kondigen niet.

„Kunt gij de geheimen Gods doorgronden, de Almachtige door­gronden ten einde toe?" „Want mijn gedachten zijn niet uw gedach­ten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten." „Ik im­mers ben God, en er is geen ander, God, en niemand is Mij gelijk; Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is." (Job 11:7; Jesaja 55:8,9; 46:9,10).

Zelfs de profeten, die op een bijzondere wijze door de Geest waren verlicht, begrepen het belang van de openbaringen die hun werden ge­geven niet volledig. De betekenis daarvan zou in de loop der eeuwen geleidelijk worden onthuld, naarmate Gods volk hun boodschap nodig zou hebben.

Petrus schreef over de verlossing die door het evangelie wordt ge­openbaard: „Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profe­ten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd ge­openbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen." (l Petrus 1:10-12).

Hoewel de profeten niet alle openbaringen volledig begrepen, streefden zij er toch ernstig naar al het licht te ontvangen, dat God in zijn genade liet schijnen. Zij hebben „gezocht en gevorst", zij hebben nagespeurd „op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde." Dit is een duidelijke les voor Gods kinderen tijdens de chris­telijke bedeling, voor wie deze profetieën aan Gods boodschappers werden meegedeeld! „Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar U dienden." Als wij zien hoe deze heilige mannen Gods „heb­ben gezocht en gespeurd" naar de betekenis van de openbaringen die ze hadden gekregen voor de generaties die na hen zouden komen en als wij hun heilig enthousiasme vergelijken met de onverschilligheid waarmee de bevoorrechte gelovigen van later deze gave van God beschouwen, kunnen wij ons indenken hoe God oordeelt over de gemakzuchtige, mondaine mensen die genoegen nemen met de bewering dat men de profetieën niet kan begrijpen!

De mens met zijn eindig verstand is niet in staat de bedoelingen van God te doorgronden en hij kan het handelen van de Oneindige ook niet helemaal begrijpen. Vaak ligt het echter aan onze dwalingen en aan onze nalatigheid dat wij de boodschappen uit de hemel zo slecht begrijpen. Het komt vaak voor dat de geest van de mensen - en zelfs van Gods dienstknechten - zo verduisterd is door menselijke op­vattingen, overleveringen en dwaalleringen dat zij de grote openbarin­gen van God in zijn Woord maar gedeeltelijk vatten. Zo was het ook met de discipelen van Christus, zelfs toen Hij persoonlijk bij hen was. Hun denken was doordrongen van de algemeen gangbare opvatting dat de Messias een wereldlijk vorst zou zijn die Israël aan het hoofd van een wereldrijk zou plaatsen. Daarom konden zij de betekenis van Christus' woorden die zijn lijden en dood voorspelden niet begrijpen.

Christus had hen uitgezonden met de boodschap: „De tijd is ver­vuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen." (Marcus 1:15). Deze uitspraak was gebaseerd op de profetie van Daniël 9. De negenenzes­tig weken zouden volgens de engel reiken „tot op een gezalfde, een vorst" en de discipelen keken in gespannen verwachting en met blijdschap uit naar de vestiging van het koninkrijk van de Messias te Jeru­zalem om over de hele aarde te heersen.

Zij verkondigden de boodschap die Christus hun had toevertrouwd, hoewel zij haar niet hadden begrepen. Hun prediking was gebaseerd op Daniël 9:25, maar zij hadden niet gemerkt dat de Gezalfde volgens vers 26 van hetzelfde hoofdstuk zou worden uitgeroeid. Vanaf hun geboorte was de gedachte van een aards koninkrijk hun zo ingeprent, dat ze gewoon blind en doof waren voor de woorden van de profetie en de uitspraken van Christus.

Zij deden wat hun was opgedragen en brachten de genadeboodschap aan het Joodse volk. Op het ogenblik dat zij dachten dat hun Meester de troon van David zou bestijgen, werd Hij echter voor hun ogen aangehouden als een misdadiger, gegeseld, bespot, veroordeeld en gekruisigd op Golgotha. Hun hart moet door wanhoop en verdriet zijn verscheurd toen hun Meester in het graf sliep!

Christus was gekomen op de tijd en wijze die de profetie had voor­zegd. De woorden van de Schrift waren in elk onderdeel van zijn werk op aarde in vervulling gegaan. Hij had de boodschap van verlossing ver­kondigd en „zijn woord was met gezag." Zijn toehoorders waren ervan overtuigd dat het een boodschap uit de hemel was. Het Woord en de Geest van God bevestigden de goddelijke opdracht van zijn Zoon.

De discipelen waren nog altijd door dezelfde grote liefde met hun Meester verbonden. Toch waren zij overweldigd door onzekerheid en twijfel. Door hun verdriet herinnerden zij zich de woorden van Chris­tus over zijn lijden en sterven niet. Als Jezus van Nazareth werkelijk de Messias was, zouden zij nu toch niet overmand zijn door verdriet en te­leurstelling? Deze vraag kwelde hun geest toen Christus in het graf lag tijdens de sombere uren op die sabbat tussen zijn dood en opstanding. Hoewel de volgelingen van Christus bedroefd waren, liet God hen niet in de steek. De profeet had gezegd:

„Al zit ik in het duister, de HERE zal mij tot licht zijn... Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen, hoe Hij gerechtigheid oefent." „Zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht."

God heeft gezegd: „Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op." „En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten." (Micha 7:8,9; Psalm 139:12; 112:4; Jesaja 42:16).

De boodschap die de discipelen in de naam van Jezus brachten, was tot in alle bijzonderheden juist en de gebeurtenissen die zij aan­kondigden, begonnen zich toen al af te tekenen. „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen", was hun boodschap. Bij het verstrijken van „de tijd" - „de zeven weken en tweeënzestig weken dus negenenzestig weken van Daniël 9, die zouden reiken tot op de Messias - was Christus door de Geest gezalfd na zijn doop door Johannes in de Jordaan.

Het Koninkrijk Gods dat nabij was, werd bij Christus' dood opgericht. Maar dat Koninkrijk was geen koninkrijk van deze wereld zoals zij dachten. Het was ook niet het toekomstige, eeuwige Koninkrijk, dat zal worden opgericht wanneer „het koning­schap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de hele hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten", dat eeuwige Koninkrijk waarin alle machten Hem dienen en gehoorzamen. (Daniël 7:27).

In de Bijbel wordt de uitdrukking „het Koninkrijk Gods" zowel voor „het koninkrijk der genade" als voor het „koninkrijk der heerlijkheid" gebruikt. Paulus spreekt over het koninkrijk der genade in zijn brief aan de Hebreeën. Nadat hij heeft gewezen op „Christus, de hogepriester die kan medevoelen met onze zwakheden", zegt de apostel: „Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden." (Hebreeën 4:15,16).

De troon der genade stelt „het koninkrijk der genade" voor, want waar een troon is, is er ook een koninkrijk. Christus gebruikt in veel gelijkenissen de uitdrukking „het Koninkrijk der hemelen" om de werking van Gods genade in het hart van de mensen aan te duiden. De troon der heerlijkheid stelt „het koninkrijk der heerlijkheid" voor.

Christus verwijst naar dit konink­rijk wanneer Hij zegt: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem ver­zameld worden." (Mattheüs 25:31,32).

Dit koninkrijk ligt nog in de toekomst. Het zal bij de wederkomst van Christus worden opgericht. Het „koninkrijk der genade" werd onmiddellijk na de zondeval inge­steld. Toen werd een plan uitgewerkt voor de verlossing van de geval­len mens. Dit koninkrijk bestond toen op grond van de intentie en be­lofte van God. De mens kon door het geloof burger van dit koninkrijk worden. Toch werd het pas bij de dood van Christus opgericht. Jezus had immers zelfs na het begin van zijn openbaar optreden kunnen af­zien van het offer op Golgotha als Hij ontmoedigd was geworden door de hardnekkigheid en ondankbaarheid van de mensen.

De lij­densbeker trilde in zijn hand in de hof Gethsémane. Hij had op dat ogenblik het bloed dat op zijn voorhoofd parelde kunnen afvegen en de schuldige mensheid in haar eigen ongerechtigheid kunnen laten omkomen. Als Hij dat gedaan had, was er geen verlossing mogelijk voor de gevallen mens. Toen Hij echter zijn leven gaf en de doods­kreet „Het is volbracht" slaakte, was de uitvoering van het verlos­singsplan verzekerd. De belofte van verlossing die aan het gevallen mensenpaar in het paradijs werd gedaan, was bekrachtigd. Het ko­ninkrijk der genade, dat vroeger beloofd was, werd toen opgericht.

Zo werd de dood van Christus, die de discipelen als de definitieve vernietiging van hun hoop beschouwden, juist de eeuwige bevestiging van hun verwachtingen. Hoewel ze erg teleurgesteld waren door zijn dood, was zijn sterven toch het beste bewijs dat hun geloof juist was. De gebeurtenis die hen met droefheid en wanhoop had vervuld, open­de de deur der hoop voor elke afstammeling van Adam. Daarin lag het toekomstige leven en het eeuwige geluk voor al Gods trouwe vol­gelingen besloten.

Het plan dat door oneindige barmhartigheid was ingegeven, werd ondanks de teleurstelling van de discipelen ten uitvoer gebracht. Hun hart was door Gods genade en door de overtuigingskracht van de woorden van Christus veranderd, want „nooit heeft een mens zo ge­sproken, als deze mens!" Toch was het zuivere goud van hun liefde voor Jezus vermengd met wereldse hoogmoed en zelfzuchtige ambi­ties van laag allooi.

Zelfs in de zaal waar het Pascha werd genuttigd „ontstond er onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden", (Lucas 22:24) terwijl de schaduw van Gethsé­mane al op hun Meester begon te vallen. Ze hadden alleen belangstel­ling voor de troon, de kroon en de heerlijkheid, terwijl de hof van schande en angst, de rechtszaal en het kruis van Golgotha voor hen la­gen.

Door hun hoogmoed en hun verlangen naar wereldse eer klamp­ten zij zich zo krampachtig vast aan de dwalingen van hun tijd en let­ten zij niet op de woorden van Christus die duidelijk wezen op de ware aard van zijn koninkrijk en ook zijn angst en dood voorzegden. Door deze dwalingen moesten zij de zware, maar noodzakelijke be­proeving meemaken die was bedoeld om hen weer op het rechte pad te brengen. Hoewel de discipelen hun eigen boodschap verkeerd begrepen en in hun verwachtingen werden teleurgesteld, hadden zij toch de waarschuwingen die God hun had toevertrouwd aan de mensen gebracht en zal God hun geloof en gehoorzaamheid belonen. Zij moes­ten de heerlijke boodschap van de opgestane Christus aan alle volken brengen. God had de bittere ervaring toegelaten om hen op dit werk voor te bereiden.

Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had." (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd er­door gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop", zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profe­tie." Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen. 

Bij het overdragen van deze kennis wees Jezus, als eerste stap, zijn discipelen op “Mozes en al de profeten”.

Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet ge­schreven heeft en de profeten." Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tem­pel waren, lovende God."

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krach­tige aansporing"; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is." (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here."

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad." (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid." (l Petrus 1:25). „Wie zal veroorde­len? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit." (Romeinen 8:34).

De Here zegt: „Mijn volk zal nimmermeer te schande worden." (Joel 2:26). „Des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich." (Psalm 30:6). Zouden de discipelen nadat zij Jezus op de dag van zijn opstanding waren tegengekomen en met grote blijdschap naar zijn woorden hadden geluisterd; nadat zij het hoofd, de handen en de voeten hadden gezien die voor hen waren verwond; nadat Jezus hen vóór zijn hemelvaart tot in Bethanië had gebracht, zijn handen ophief om hen te zegenen en hun de opdracht gaf: „Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de hele schepping" en zei: „En zie, Ik ben met u al de dagen," (Marcus 16:15; Mattheüs 28:20), nadat de Trooster die Hij had beloofd op Pinksteren neerdaal­de, de kracht van Boven gegeven werd en de gelovigen de aanwezig­heid van hun ten hemel gevaren Heiland tastbaar voelden - zouden zij na dit alles, ondanks het feit dat zij net als hun Meester offers moesten brengen en de marteldood zouden sterven, de verkondiging van het blijde nieuws van Gods genade en „de kroon der gerechtigheid" die zij bij Christus' wederkomst zullen ontvangen, willen ruilen voor de heerlijkheid van de aardse troon, die zij vroeger hadden verwacht? Hij die „bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of be­seffen" gaf hun met „de gemeenschap aan zijn lijden" ook zijn vreugde - de vreugde „om vele zonen tot heerlijkheid te brengen", een onuitsprekelijke blijdschap, een „eeuwig gewicht van heerlijk­heid" waarbij „de lichte last der verdrukking van een ogenblik" vol­gens Paulus in het niet verzinkt.

De ervaring van de discipelen, die „het evangelie van het Konink­rijk" bij de eerste komst van Christus verkondigden, heeft zich her­haald voor hen die de boodschap van Christus' wederkomst brachten. De discipelen predikten: „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen." Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken, dat het oordeel nabij was en dat het eeuwige Konink­rijk zou worden opgericht. De evangelieverkondiging van de discipe­len steunde op de zeventig weken van Daniël 9. Volgens de bood­schap die Miller en zijn medewerkers brachten, liepen de 2300 avonden en morgens van Daniël 8:14, waarvan de zeventig weken het begin vormden, spoedig ten einde. De verkondiging van beide groepen was gebaseerd op de vervulling van twee verschillende stukken van de­zelfde lange profetische periode.

Zoals de eerste discipelen kenden ook Miller en zijn medewerkers de volledige draagwijdte van de boodschap die zij brachten niet. Door enkele dwalingen die allang gemeengoed waren geworden in de ge­meente konden zij een belangrijk punt in de profetie niet juist inter­preteren. Hoewel ze dus de boodschap verkondigden die God hun had toevertrouwd, zouden zij door hun eigen verkeerde interpretatie wor­den teleurgesteld.

Miller had bij zijn uitleg van Daniël 8:14, „Tweeduizend driehon­derd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat her­steld worden," het algemeen aanvaarde standpunt ingenomen dat de aarde het heiligdom is. Hij meende dan ook dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom" doelde op de reiniging van de aarde door vuur bij de wederkomst van Christus. Toen hij vaststelde dat de Bijbel duidelijk aangaf wanneer de 2300 avonden en morgens eindig­den, trok hij de conclusie dat dit tijdstip samenviel met de weder­komst. Hij vergiste zich omdat hij de populaire opvatting over het heiligdom had overgenomen.

In de tabernakel- en tempeldienst, die een voorafschaduwing van het offer en martelaarschap van Christus was, sloot de reiniging van het heiligdom door de hogepriester de jaarlijkse cyclus af. Door deze dienst werd het verzoeningswerk afgerond en werden de zonden van Israël uit het heiligdom verwijderd. Deze dienst was een beeld van het afsluitingswerk van onze Hogepriester in de hemel. Ook daar worden de zonden van zijn volk die in de hemelse boeken staan opgetekend, verwijderd en uitgedelgd. Deze dienst impliceert een onderzoekend oordeel en gaat onmiddellijk aan de wederkomst van Christus op de wolken der hemels met macht en heerlijkheid vooraf, want wanneer Jezus terugkomt, is er over iedereen een beslissing gevallen. Jezus zei: „Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is." (Openbaring 22:12).

De boodschap van de eerste engel van Openbaring 14:7 kondigt dit onderzoekend oordeel, dat vlak vóór de wederkomst plaatsvindt, aan met de woorden: „Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen."

De gelovigen die deze waarschuwing verkondigden, brachten de juiste boodschap op de juiste tijd. De eerste discipelen zeiden op grond van de profetie van Daniël 9: „De tijd is vervuld en het Ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen", maar ze hadden niet gezien dat de­zelfde tekst ook de dood van de Messias voorzegde. Zo hebben Miller en zijn medewerkers de boodschap van Daniël 8:14 en van Openba­ring 14:7 verkondigd zonder erop te letten dat er nog andere bood­schappen in Openbaring 14 waren die ook voor de wederkomst van Christus aan de wereld moesten worden meegedeeld. Zoals de disci­pelen zich hadden vergist in de aard van het Koninkrijk dat zou wor­den opgericht, hebben de adventisten zich vergist in de aard van de gebeurtenis die zou plaatsvinden aan het einde van de 2300 avonden en morgens.

In beide gevallen aanvaardden of geloofden zij populaire dwalingen, waardoor zij de waarheid niet onderkenden. Beide groe­pen hebben Gods wil gedaan toen ze de boodschap verkondigden die God aan de wereld wilde meedelen, maar ze werden teleurgesteld, omdat ze hun eigen boodschap niet ten volle begrepen.

Toch liet God in zijn genade de waarschuwingsboodschap in die vorm aan de wereld brengen. De grote dag stond voor de deur en in zijn voor­zienigheid heeft Hij de mensen op de proef willen stellen door het be­kend maken van een bepaalde datum. Daardoor zouden ze zelf kunnen merken wat er in hun harten omging. De boodschap was bedoeld om de kerken te toetsen en te reinigen. Zij moesten inzien waar hun hart naar uitging; naar de wereld of naar Christus en de hemel. Ze beweerden dat zij Christus liefhadden. Nu kregen zij de kans dat ook te bewijzen. Wa­ren zij wel bereid hun wereldse verwachtingen en ambities op te geven en de komst van Christus met blijdschap tegemoet te zien? De bood­schap zou hen in de gelegenheid stellen zelf te oordelen over hun geeste­lijk leven. Ze was gezonden als een teken van Gods barmhartigheid om hen tot inkeer te brengen zodat zij Hem in alle nederigheid zouden zoe­ken.

Hoewel de teleurstelling het gevolg was van hun eigen verkeerde uitleg, zou ze toch positieve resultaten opleveren. Ze zou de harten van alle gelovigen die beweerden dat ze de waarschuwingsboodschap hadden aangenomen, op de proef stellen. Zouden zij door hun teleurstelling hun ervaring met God op een onbezonnen manier afzweren en hun geloof in Gods Woord zomaar opgeven? Of zouden zij door ge­bed en in ootmoed proberen te ontdekken welk punt van de profetie ze verkeerd hadden begrepen?

Hoeveel mensen hadden uit vrees of impulsief gehandeld? Hoevelen hinkten op twee gedachten of waren gewoon ongelovig? Zeer velen zeiden dat ze de verschijning van Christus liefhadden. Zouden ze als ze de spot en minachting van de wereld moesten verduren en de toets van de vertraging en de teleurstelling moesten doorstaan, hun geloof verliezen? Zouden zij omdat ze Gods handelen niet direct ten volle begrepen ook de waarheden die zeer duidelijk in zijn Woord naar voren kwamen, laten vallen?

Deze beproeving zou aantonen hoe sterk de mensen stonden die oprecht geloofden en handelden volgens de richtlijnen van de Geest en het Woord van God. Dit was het beste middel om hen te wijzen op het gevaar van menselijke theorieën en interpretaties. Ze zouden ook begrijpen welk risico men loopt als men de Bijbel niet zichzelf laat uitleggen. De echte gelovigen zouden door de verslagenheid en het verdriet die op hun vergissing volgden weer op het rechte pad komen. Zij zouden de profetieën grondiger gaan bestuderen en het fundament van hun geloof nauwkeuriger onderzoeken. Zij zouden dan elke opvatting verwerpen die niet op het Woord der waarheid steunde, ook al was die nog zo populair onder de christenen.

Deze gelovigen zouden net als de eerste discipelen een beter in­zicht krijgen in alles wat tijdens hun beproeving onbegrijpelijk scheen. Als ze „het einde van de Here" konden zien, zouden ze be­seffen dat God hen liefhad, ondanks de beproeving die het gevolg was van hun eigen vergissing. Zij zouden door de gezegende ervaring le­ren dat God „rijk is aan barmhartigheid en ontferming", dat „alle pa­den des HEREN goedertierenheid en trouw zijn voor wie zijn verbond en zijn getuigenissen bewaren." 

De Grote Strijd, Licht in de duisternis, E.G. White, Veritas, 1985, p.321.

bottom of page